Wat Gods genaden vruchteloos maakt

97. Zondag Sexagesima

De gelijkenis van het evangelie ( Lk. 8, 4-15 ) bevat, mede door de uitleg die Jezus zelf er aan wilde toevoegen, kostbare lessen. Het zaad dat wordt uitgestrooid is deugdelijk, maar de bodem is ongelijk van waarde, zeer verschillend in vermogen om hem op te nemen en vrucht te dragen. Het is wederom het Palestijnse land met zijn dikwijls steenachtige grond, langs heuvels en glooiingen waar bergpaden doorheen lopen. Het zaad is goed maar het is niet onverschillig waar het valt. Het zaad is Gods woord en genade. Want zijn woord is genade. Wij overwegen heden welke beletselen de groei en rijping van het zaad verhinderen. De beschouwing van Jezus’ eigen woorden geeft ons een antwoord op de vraag die ons menigmaal pijnigt: waarom bespeuren wij zo weinig van de werking der genade? Waarom lijdt het Rijk Gods geweld, niet alleen in de wereld maar ook bij de geroepenen zelf?

1. „Het zaad langs de weg zijn zij die het woord wel horen, maar dan komt de duivel en neemt het weg uit hun hart, opdat zij niet zouden geloven en worden gered.” Dit zijn de zorgelozen en oppervlakkigen met wie de onzichtbare vijand van alle goeds gemakkelijk spel heeft. Zij laten zich hun kostbaarste schat, Gods woord en genade; zonder strijd ontstelen door de duivel (in wiens werkzaamheid en invloed zij overigens niet echt geloven). Mensen wier geloof „dood en werkeloos” is ( Jak. 2, 20 ), die horen en vergeten, — achtelozen die langs de kostelijke parel lopen zonder hem zelfs te zien, zonder ook maar één ogenblik te beseffen welke waarden op het spel staan.

2. „Het zaad op de rots zijn zij die het woord met vreugde aanvaarden, zodra zij het horen, maar die geen wortel hebben geschoten. Een tijd lang geloven zij wel, maar ten tijde der beproeving vallen zij af.” Tot dezen behoren vele enthousiasten en goedwillenden die gemakkelijk en graag aanvaarden. Maar zij hebben geen wortel. Het zit hun niet diep. Het zaad is niet gezonken tot de bodem van hun ziel. De kern werd nooit gepakt; zij hebben zich nooit echt gegeven. Maar eerst in het uur der grote beproeving blijkt dit (ook voor henzelf). Het zijn de halfslachtigen, die het wel goed menen, zoals men dat noemt, maar die ontrouw worden als God offers gaat vragen. Juist wanneer het er op aankomt, „vallen zij af” . Het zijn niet de ware vrienden van de Heer ( „Hoe weinig hebt Gij er, Heer, maar Gij maakt het er ook naar,” zei Teresia van Avila eens).

3. „Het zaad dat tussen de doornen valt, zijn zij die wel hebben geluisterd, maar die gaandeweg door de zorgen, de rijkdom en de genoegens van het leven zich laten verstikken en nooit tot rijpheid komen.” Dezen geloven en willen wel en handelen ook, maar „gaandeweg” wordt hun hart in beslag genomen door de aardse dingen. Dit is een proces van geleidelijke verstikking, van zachtjes doodknijpen. Het gebeurt niet eens zoals de afval ten tijde van de grote beproeving (al wordt die er door voorbereid), maar het is de niet minder krachtdadige uitwerking van een jarenlange verwaarlozing der genade. Tijdelijke dingen, winstbejag, genotzucht, heerszucht spinnen zachtjes aan de geestelijke kern in en bedekken ze en doen haar verschrompelen. Hoevelen herinneren zich niet met bitter heimwee de tijd van hun jeugdidealen en bezien met spijt de armzalige rest die zij ervan in hun handen hebben overgehouden: het verstikte zaad.

Niet alleen zondige daden in de strikte zin van het woord. Zelfs „zorgen” kunnen een beletsel zijn. Hoe zelden wordt de rijpheid, de „volle wasdom van Christus’ mannenmaat” ( Eph. 4, 13 ) bereikt!

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *