Wie is mijn naaste?

286. Twaalfde Zondag na Pinksteren

In het evangelie van heden lezen wij de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Deze parabel is zo schoon dat wij wellicht vergeten dat zij eigenlijk bedoeld is als antwoord op de vraag van de wetgeleerde: „Wie is mijn naaste?” En misschien menen wij dat dit voor ons geen vraag meer is; immers alle mensen zijn onze „naasten” . Toch is dit niet precies het antwoord, dat Jezus geeft. De strekking der gelijkenis is: ieder mens kán mijn naaste zijn, ook de meest „verre” , door vreemdheid of vijandschap van mij gescheiden, maar in Christus’ zin naaste is alleen hij die zijn evenmens hic et nunc , in de concrete omstandigheden van zijn leven, bemint en helpt. „Wie van deze drie, dunkt u, was de naaste van de man, die in handen der rovers viel?” Hij zeide: „Die hem barmhartigheid bewezen heeft.” En Jezus zeide tot Hem: „Ga heen, doe gij evenzo” ( Lk.10, 36. 37 ). Het gemaakte onderscheid kan spitsvondig lijken doch het is steeds nodig scherp toe te zien bij begrippen die leuzen in ieders mond en daarom vaak holle woorden zijn geworden. Zulk een begrip is naastenliefde. De werkelijke naastenliefde is de kroon van het christendom en, ook zuiver menselijk gezien, zijn onsterfelijke glorie. Er is geen godsdienst die de realiteit van deze bovennatuurlijke mensenliefde heeft gebracht dan allen het christendom (en dan daarbij nog ruimschoots in aanmerking genomen dat de meeste christenen niet leven op de hoogte van hun roeping). Zo is het begrijpelijk dat ook buiten de Kerk het begrip naastenliefde hoog wordt gehouden en dus, eenmaal overal aangewend, ook buiten de levenwekkende sfeer van Christus’ genade, is verzwakt tot een vaag iets, een algemene goedaardige welgezindheid die eerder lauw dan vurig moet heten, een soort algemeen aangenomen minimum dat een behoorlijk mens nu eenmaal zijn medemensen verschuldigd is, althans in „normale” omstandigheden. En deze liefde heeft in onze dagen veelal moeten wijken voor het élan en de werfkracht van de sociale gerechtigheid. Doch wat Jezus predikt is geen algemene mensenmin en ook niet louter liefdadigheid, maar zeer bepaalde, zeer werkdadige en praktischeliefde voor zeer bepaalde mensen. Zonder twijfel wil Christus dat wij alle mensen liefhebben. Doch alle mensen liefhebben kan alleen God; een mens kan dat slechts potentieel, in mogelijkheid, hij kan niet alle mensen werkelijk beminnen, slechts als abstractie, de mensheid: maar mag dit liefde, agapè , heten? Niet zonder reden zij Dostojewski ’s Iwan dat het gemakkelijker is je verste lief te hebben dan je naaste. En Jezus weigert een definitie te geven van het begrip naaste; want een definitie is algemeen en algemeenheid is de dood van de liefde. Wat Jezus vraagt is dat wij bereid zijn elke mens, die God op onze weg voert, lief te hebben als was hij onze bloedeigen broeder. Wat Hij vraagt is dat wij onze naaste naasten beminnen, de mensen aan wier zijde wij werken, met wie wij elke dag aan tafel zitten, hen van wie wij ten slotte alle eigenaardigheden en belachelijkheden kennen (en zij van ons), niet dat wij onze mond vol hebben van liefde voor de verre naasten die wij nooit zullen zien. Er is misschien geen zwaarder belasting van onze deugd denkbaar dan de liefde zoals die bijvoorbeeld gevraagd wordt in kloostergemeenschappen, voor mensen met wie wij de godganselijke dag samenleven, zonder dat de band van het bloed of de keuze van menselijke genegenheid of zelfs gelijkgezindheid in het natuurlijk-geestelijke ons te samen bracht. Maar bovennatuurlijke naastenliefde is dan ook niet hetzelfde als sympathie, gelijkgeaardheid, maatschappelijke of culturele verwantschap. Zij eist oprechtheid en waarachtigheid, innerlijke welwillendheid waardoor wij de naaste alle werkelijk goeds gunnen en daarnaar handelen , met gedachte, woord en daad: „die hem barmhartigheid bewezen heeft” … en: „doe gij evenzo” .

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)