Wie zijt gij?

16. Maandag na de Derde Zondag van de Advent

Wij kunnen deze vraag die de farizeeën in het evangelie ( Joh. 1, 19 ) met weinig edele bedoelingen aan Johannes de Doper stelden, zeer nuttig onszelf voorbehouden. Wat is de mens en wat is de deze mens die ik ben? Het antwoord moet altijd die eigenaardige tweeslachtigheid insluiten die de mens naar zijn wezen eigen is. Pascal sprak van het denkend riet. „De mens is slechts een riet, het zwakste in de natuur; maar hij is een denkend riet. Het is niet nodig dat het heelal zich wapent om hem te vernietigen; een damp, een waterdruppel is voldoende om hem te doden. Maar al zou het heelal hem verpletteren, dan nog zou de mens superieur zijn aan hetgeen hem doodt, omdat hij wéét dat hij sterft en de overmacht kent die de natuur over hem bezit; het heelal weet daarvan niets.” Ook als wij de mens beschouwen in het licht van Gods aanschijn, blijft hij die wezenlijke tweeslachtigheid behouden.

1. Wat is de mens? Niets en zonde. Dit antwoord klinkt hard en eenzijdig. Toch bevat het de zuivere waarheid over de mens, zoals hij uit zichzelf is. O heilzame bron van eeuwige vernedering voor het aanschijn der goddelijke majesteit! De mens is schepsel, dat betekent: een wezen wie uit zichzelf niet het zijn, maar het niet-zijn eigen is. En hij is de gevallen mens, met de erfzonde geboren, tot het kwade geneigd en in vele dingen zondigend dag op dag. Alleen het kwaad kan ik volledig mijn eigendom noemen, de wrange vrucht van mijn misbruikte vrijheid waaraan God geen deel heeft. Als ik eerlijk wil zijn — als ik eerlijk kón zijn en mijn binnenste doorschouwen zoals God mij ziet en zoals ik mijzelf zal zien in het klare licht van zijn oordeel, mijn daden, mijn beweegredenen, mijn woorden, gedachten en wensen — hoe zou ik huiveren! „Heer, als Gij op ongerechtigheden acht slaat, Heer, wie zal dan bestaan” ( Ps. 129, 3 )? Wij menen dat de heiligen vroom, maar onwerkelijk overdrijven, wanneer zij zichzelf genadeloos beschuldigen en als grote zondaars beschouwen. God gave dat het overdrijving was. Moeten wij niet veeleer bedenken dat zij met hun bovennatuurlijke helderziendheid de geestelijke werkelijkheid waarnemen zoals zij is, veel scherper dan wij die leven op indrukken en sensaties? Heer, wees mij zondaar genadig.

2. En toch, tegelijkertijd is deze mens kind van God, verlost door Jezus’ Bloed, tempel van de Heilige Geest, geroepen tot de hemelse glorie en de opstanding in heerlijkheid. Waarlijk, wij „dragen een schat in aarden vaten” , en deze „verhevenheid is het werk van Gods kracht, niet van ons” ( 2 Kor. 4, 7 ). Misschien zijt gij religieus, de Heer toegewijd in leven en dood voor de strijd om de volmaaktheid, bruid van Jezus. Wellicht zijt gij priester of wilt het worden: middelaar tussen God en zijn volk voor de dingen van God, een wankel riet, een mens van het „maaksel dat de Heer kent” ( Ps. 102, 14 ), maar een die elke morgen het onbevlekte Lam in zijn handen draagt. Christen zijt ge, „geliefde Gods, heilig, uitverkoren” ( Rom. 1, 7 enz. ) toegerust met de „roeping van omhoog” ( Phil. 3, 14 ).

3. Zulke uitersten raken elkaar in onze ziel: het vlees en de geest, de oude mens en de nieuwe schepping, de hemelse roeping en de lokstem van de wereld, de „vreugde in de Heer” en de weeën van dit tranendal. Heer, kom onze zwakheid te hulp. Moeder, mogen wij door uw voorspraak „gestorven aan de zonde, leven voor God in Christus Jezus, onze Heer” ( Rom. 6, 11 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *