Zoetheid en sterkte

296. Woensdag na de Dertiende Zondag na Pinksteren

Communio en postcommunie van de Zondag beide hebben rechtstreeks betrekking op de eucharistie, de nuttiging van Christus’ lichaam, die zij begeleiden en volgen. Gelijk dikwijls, zo ook hier: als wij er slechts in slagen deze oude en krachtige teksten aandachtig te lezen, als de Heer ons inzicht schenkt en de natuur niet tegenwerkt, dan vinden wij sterkend meditatievoedsel, dan flitsen lang gekende waarheden in een nieuw licht voor ons op. De communiezang is een vers uit het boek Sapientia , dat in de weidse taal van Alexandrijnse wijsheid de goddelijke gave van het manna bezingt en dat de Kerk met volle recht toepast op de spijze der heilige communie: „Brood uit de hemel hebt Gij ons geschonken, o Heer, dat alle genot in zich bevat en louter zoete smaak” ( Sap.16, 20 ). Het gebed na de communie spreekt de sobere en strenge taal der Romeinse liturgie: „Wij bidden U, o Heer, dat wij door de nuttiging van de hemelse geheimen vorderen mogen op de weg der eeuwige verlossing” . De eucharistie betekent zoetheid der ziel en verlossende kracht tegelijk.

1. Zoetheid en genot zijn woorden waarmee de H.Schrift zowel als de liturgie spaarzaam werken. De Kerk weet te goed dat christelijk leven offers vraagt van onze zelfzucht en dat ware geestelijke zoetheid in het begin van onze kruisweg minder voorkomt dan wij denken. Zij is er zich ook van bewust dat het woord genot door hedonisten van oude en nieuwe tijd een slechte klank heeft gekregen en al te gemakkelijk verkeerde associaties oproept. Maar tevens kan zij haar overtuiging niet verloochenen dat de volmaakte dienst des Heren zoet is en zij herinnert aan Jezus’ woord: „Mijn juk is zacht en mijn last is licht” ( Mt.11, 30 ) en dat andere van de psalmist: „Smaakt en proeft hoe goed de Heer is” ( Ps.9, 33 ). En zij gedenkt bovenal het hemelse manna, het voedsel „aan elke smaak aangepast” , dat de Heer in zijn liefde naliet voor zijn volgelingen als zoete teerspijs op de harde weg. Aan de tafel des Heren rusten wij een weinig van de dagelijkse strijd, aan de bron der zoetheid ons verkwikkend met geloof, onder de sluier der gedaanten Hem smakend en bezittend die onderpand is der eeuwige verlossing.

2. Want wel is ons de belofte geschonken waarvan het epistel spreekt, maar ons heil is nog niet voltooid. Moeizaam schrijden wij voort op de weg naar „de eeuwige verlossing” en het volmaakte kindschap. Op die weg geven de „hemelse geheimen” ( „geheim” : want alleen het geloof dringt hier door; „hemels” niet aards is dit voedsel dat aan aardse mensen wordt gereikt) ons kracht. Wij mogen in de communie als Johannes rusten aan de borst des Heren, ons laven aan zijn zoete liefde, – om door zijn Geest gesterkt verder te gaan en de goede strijd van Christus te strijden in ons leven.

Geloof in de verlossende kracht van de eucharistie! Zo de banden van zonde en wereld nog knellen, zo wij ons nog niet in staat voelen die boeien los te maken om te komen tot de zuivere liefde, laat ons dan met onbegrensd geloof en vertrouwen deelnemen aan de viering der „hemelse geheimen” , die Christus dagelijks onder ons bereik stelt. Wat wij niet vermogen, zal zijn gave ons schenken. De bron der heiligheid zelf staat open voor onze ellende en ons verlangen. Gedenk Jezus’ woorden en geloof in de volle werkelijkheid en hemelse ernst van zijn beloften: „Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven … Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem ( Joh.6, 54. 56 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)