Boek I Hoofdstuk 13 Over het weerstaan aan de bekoringen

 

Zolang wij op de wereld leven, kunnen wij niet vrij zijn van kwelling en bekoring. Daarom staat er in het boek Job geschreven: Het leven van de mens op aarde is een bekoring (1). Daaruit volgt dat ieder zich in acht zou moeten nemen voor zijn bekoringen, en waken in het gebed, opdat de duivel geen gelegenheid vinde om hem te bedriegen, hij, die nooit inslaapt, maar altoos rondloopt, zoekende wie hij zal kunnen verslinden (2). Niemand is zo volmaakt en zo heilig, of hij heeft somtijds bekoringen; wij kunnen daar niet volkomen van bevrijd blijven.

Maar de bekoringen zijn dikwijls voor de mens zeer nuttig, alhoewel zij lastig en onaangenaam zijn, omdat hij hierdoor vernederd, gezuiverd en onderricht wordt. Alle Heiligen hebben vele kwellingen en bekoringen ondergaan, en zijn daardoor vooruit gekomen. En die de bekoringen niet hebben kunnen doorstaan, zijn verstoten geworden en bezweken. Daar is geen genootschap zo heilig, en geen plaats zoafgezonderd, of daar zijn bekoringen en beproevingen.

Daar is geen mens geheel vrij van bekoringen, zolang hij leeft; want wij dragen in ons de aanleiding om bekoord worden; sinds wij in de begeerlijkheid geboren zijn. Als de een bekoring of kwelling ons verlaat, dan komt er een andere in de plaats; en wij zullen altijd iets te lijden hebben, want wij hebben het voorrecht van ons eerste geluk verloren. Velen zoeken de bekoringen te ontvluchten, en zij vallen er nog meer in. Door de vlucht alleen kunnen wij niet overwinnen; maar door geduld en ware ootmoedigheid worden wij sterker dan al onze vijanden.

Die de uiterlijke aanleiding der bekoringen ontwijkt, en daarvan de wortel niet uitroeit, zal weinig vorderen; zij zullen zelfs spoediger tot hem wederkeren, en hij zal ze meer gevoelen. Allengskens, door geduld en lankmoedigheid, zult gij ze (met Gods hulp) beter overwinnen, dan door uw ongeduldig en hardnekkig tegenstreven. Neem dikwijls raad in de bekoringen, en behandel niet met hardheid iemand die bekoord wordt; maar stort hem bemoediging in, gelijk gij voor uzelf zoudt wensen.

De oorsprong van alle kwade bekoringen is ongestadig van het hart, en gering betrouwen op God.

Want, gelijk een schip zonder roer door gebaren heen en weer geslingerd, zo wordt een krachteloos mens, die zijn voornemens laat varen, op verschillende wijzen bekoord. Het vuur beproeft het ijzer, en de bekoring de rechtvaardige mens (3). Wij weten dikwijls hoever onze kracht reikt; maar de bekoring leert wat wij zijn. Men moet nochtans waakzaam zijn, vooral in het opkomen der bekoring: omdat alsdan de vijand gemakkelijker overwonnen wordt, indien men hem in de deur der ziel geenszins laat binnentreden, maar hem terstond, zohaast hij klopt, buiten afweert. Vandaar deze spreuk: Bied weerstand in ’t begin: te laat komt het geneesmiddel, als de ziekte door ’t lang verloop de overhand heeft genomen (4). Want eerst is het maar een gedachte die in de geest komt; daarna een sterke inbeelding, hierop volgt welbehagen, ongeregelde beweging, en dan de toestemming. En alzo treedt de boze vijand van lieverlede geheel binnen, als men hem in ’t begin niet wederstaat. En hoe langer iemand getalmd heeft te wederstaan, des te zwakker wordt hij dagelijks, en des te sterker de vijand tegen hem.

Sommigen lijden zwaarder bekoringen in het begin van hun roeping; anderen op het einde. Enigen integendeel worden bijna geheel hun leven gekweld. Enigen worden ook maar licht bekoord, volgens de schikking van Gods wijsheid en rechtvaardigheid, die de gesteltenis en de verdiensten der mensen weet, en alles tot zaligheid van zijn uitverkorenen voorbeschikt.

Daarom moeten wij niet wanhopen, als wij bekoord worden, maar God des te vuriger bidden, opdat Hij zich gewaardige ons te helpen in al onze kwellingen: en Hij zal zeker, volgens de woorden van de Apostel Paulus, ons in de bekoring zulke hulp verlenen, dat wij ze zullen kunnen overwinnen (5). Laten wij dan onze zielen onder de hand Gods verootmoedigen bij alle bekoring en kwelling: want de ootmoedigen van geest zal Hij redden en verheffen (6).

In bekoringen en lijden ziet de mens hoeveel vooruitgang hij gedaan heeft; ook is de verdienste groter, en de deugd komt beter tevoorschijn. Het is niets groots wanneer iemand godvruchtig en ijverig is, als hij geen zwarigheid voelt; maar wanneer hij in de tijd van tegenspoed zich geduldig houdt, dat geeft hoop op grote vorderingen. Enigen worden van grote bekoringen bewaard en worden dikwijls overwonnen in kleine, die dagelijks voorkomen, opdat zij daardoor verootmoedigd zouden worden, en nooit op zichzelf in grote zaken zouden betrouwen, daar zij in kleine zo zwak zijn.

1) Job 7: 1

2) 1 Petr. 5: 8

3) Eccl. 31: 31

4) Ovidius

5) I Kor. 10: 13

6) Psalm 33: 19

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)