Boek I Hoofdstuk 15 Over de werken uit liefde verricht

Om niets ter wereld, noch uit liefde voor iemand mag men iets kwaads doen, maar mag men, om iemand in de nood dienst te bewijzen, soms wel een goed werk uitstellen of ook door een beter vervangen. Want met zo te handelen wordt het goede werk niet teniet gedaan, maar in een beter veranderd. Zonder de liefde is een uitwendig werk van geen nut (1); maar wat uit liefde gedaan wordt, hoe klein en hoe gering het in zichzelf zij, dat wordt geheel en al vruchtbaar. Want God let meer op de goede stemming waarmede men iets doet, dan op de hoeveelheid van het werk zelf.

Hij doet veel, die veel liefde heeft. Hij doet veel, die een zaak wl doet. Hij doet wl, die meer het gemeen voordeel betracht dan zijn eigen voordeel. Somtijds wat men voor liefde aanziet, is eerder zinnelijkheid: want het gebeurt zelden dat natuurlijke neiging, eigen wil, hoop op beloning of gemakzucht niet enige invloed hebben.

Wie de ware en volmaakte liefde bezit, zoekt nooit zichzelf in gelijk wat; maar hij begeert alleen dat in alles de wil van God geschiede. Hij benijdt ook niemand, omdat hij nooit enig persoonlijk voordeel wenst, en zijn vreugd in zichzelf niet stelt, maar in God alleen boven alle goederen zijn zaligheid zoekt. Hij eigent nooit aan het schepsel enig goed toe, maar brengt alles tot God terug, van wie hij alles als uit de bron voortvloeit, en in wiens genieting, als in hun einddoel, alle Heiligen rusten. O! Wie maar een vonkje van die ware liefde bezat, die zou voorwaar gevoelen hoe alle aardse dingen vol van ijdelheid zijn.

1) 1 Kor. 13: 3

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)