Boek I Hoofdstuk 17 Over het kloosterleven

Gij moet in vele dingen uw wil leren breken, indien gij met anderen vrede en eendracht wilt bewaren. Het is geen kleinigheid in kloosters of in een vereniging te leven, en daarin zonder klachten te verkeren, en tot de dood toe getrouw te volharden. Gelukkig hij, die daar wl geleefd heeft, en zalig gestorven is. Wilt gij naar behoren vast staan en vooruitgang maken, houd u op aarde voor een banneling en een vreemdeling. Indien gij een godgewijd leven leiden wilt, moet gij om Christus als dwaas worden (1).

Habijt en kruin baten niet veel: maar zedenverbetering en volkomen versterving van alle driften maken de ware kloosterling. Wie iets anders zoekt dan God alleen, en zijn zielezaligheid, zal niets vinden dan kwellingen en smart. Ook zal hij niet lang in vrede blijven, die niet tracht om de minste te zijn en aan allen onderworpen.

Om te dienen zijt gij gekomen, niet om te heersen: weet dat gij geroepen zijt om te lijden en te arbeiden, en niet om ledig te gaan praten. Hier dan worden de mensen beproefd gelijk het goud in de vuuroven (2). Hier kan niemand volharden, tenzij hij uit ganser harte zich om God verootmoedigen wil.

1) I Paralip. 29: 15

2) Wijsh. 3: 6

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)