Boek I Hoofdstuk 2 Over de ootmoedige zelfachting

 

Elk mens is van nature begerig naar kennis, doch waartoe dient de wetenschap zonder de vrees Gods? Waarlijk een nederig landman, die God dient, is beter dan de trotse wijsgeer, die zichzelf verwaarloost, en de loop der sterren nagaat. Wie wel zichzelf kent, wordt gering in zijn eigen ogen, en verheugt zich niet over de lof der mensen. Al wist ik alles wat in de wereld is, en ik de liefde niet bezat, wat zou het mij baten voor God, die mij volgens mijn werken zal oordelen?

Laat af van overmatige zucht naar wetenschap: want daarin wordt grote verstrooiing en veel bedrog gevonden. Die iets weten, willen gaarne de aandacht trekken en de naam van wijzen dragen. Daar zijn vele dingen, welker kennis aan de ziel weinig of geen voordeel bijbrengt. En hij is zeer dwaas, die zich met iets anders bekommert, dan met wat hem ter zaligheid dienstig is. Vele woorden verzadigen de ziel niet: maar een goed leven verfrist de geest, en een zuiver geweten geeft een groot betrouwen op God.

Hoe meer gij weet en hoe beter, zo veel te strenger zult gij geoordeeld worden, tenzij gij heiliger leeft. Wil u dus niet verheffen op enige kunst of wetenschap, maar vrees eerder om de kennis, die u gegeven is. Dunkt het u dat gij te veel weet en tamelijk wel verstaat, wees evenwel verzekerd dat er nog veel meer is, wat gij niet weet. Heb geen hoge dunk over uzelf (1); maar erken liever uw onwetendheid. Wat wilt gij u boven een ander stellen, aangezien er velen gevonden worden, die geleerder zijn dan gij, en beter in de wet onderwezen? Indien gij iets met nut wilt weten en leren, wees dan gaarne onbekend, en voor niets geacht.

Deze is de verhevenste en nuttigste wetenschap: zich wel kennen en klein achten. Van zichzelf niet houden, en van de anderen altijd een goede en een hoge dunk hebben, dat is grote wijsheid en hoge volmaaktheid. Ware het dat gij een ander openlijk zaagt zondigen, of enige grove misslagen begaan, toch zoudt gij u niet voor beter moeten aanzien, want gij weet niet hoe lang gij in een goede staat kunt volharden. Wij zijn allen zwak; maar houd niemand voor kranker dan uzelf.

1) Rom. 11: 20

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)