Boek I Hoofdstuk 21 Over de rouwmoedigheid des harten

Indien gij enige vooruitgang wilt doen, bewaar u in de vrees Gods, en wees niet al te vrij; maar houd uw zinnen in bedwang, en geef u niet over aan lichtvaardige vrolijkheid. Stem u tot ingetogenheid des harten, en gij zult de ware godsvrucht vinden. Ingetogenheid des harten brengt veel goed voort, dat bij uitgelatenheid dra verloren gaat. Het is zonderling dat een mens hier in dit leven volkomen verblijd kan zijn, wanneer hij zijn ballingschap en de menigvuldige gevaren van zijn ziel overdenkt.

Omdat wij zo lichtzinnig van hart zijn, en onze gebreken veronachtzamen, daarom blijven wij gevoelloos voor de ellenden van onze ziel. Maar wij lachen dikwijls onbezonnen, als wij redelijkerwijze behoorden te wenen. Er is geen oprechte vrijheid des harten of ware vreugd tenzij in de vrees Gods met een goed geweten gepaard. Gelukkig hij, die alle verstrooiing afweren kan en in zichzelf keren kan tot de innigheid van een heilige ingetogenheid. Gelukkig hij, die alles afwerpt wat zijn geweten kan besmeuren of bezwaren. Strijd kloekmoedig; een gewoonte wordt door een andere overwonnen. Indien gij de mensen laat begaan dan zullen zij u wel met vrede laten.

Trek u de zaken van anderen niet aan, en bemoei u niet met de zorgen van uw oversten. Richt altijd de ogen eerst op uzelf, en vermaan uw eigen, eerder dan uw vrienden. Al geniet gij de gunst der mensen niet, wil u daarom niet bedroeven; maar bedroef u daarin, dat gij u niet zo wl en voorzichtig gedraagt gelijk het een dienaar Gods en een vroom kloosterling betaamt. Het is dikwijls zaliger dat een mens niet veel vertroostingen heeft in dit leven, bijzonder naar het vlees. Maar het is onze schuld, dat wij goddelijke vertroostingen missen, of die maar zelden smaken: omdat wij de rouwmoedigheid des harten niet zoeken, en de ijdele en uitwendige vertroostingen niet verwerpen.

Erken dat gij de goddelijke vertroostingen onwaardig zijt, en veeleer verdiend hebt grote kwellingen te lijden. Wanneer de mens gans van harte vermorzeld is, dan valt de hele wereld hem zwaar en bitter. Een goed mens vindt altijd reden om droef te zijn en te wenen. Want hetzij hij zichzelf of de naaste beschouwt, hij weet dat hier niemand zonder kwellingen leeft: En hoe nauwkeurig hij zich gadeslaat, hoe meer hij zich bedroeft. Billijke reden van droefheid en inwendige vermorzeling, dat zijn onze zonden en gebreken, waarin wij z gedompeld liggen, dat wij zelden het hemelse in beschouwing kunnen nemen.

Indien gij meer dacht op uw dood dan op een lang leven, zoudt gij zonder twijfel uzelf met meer ijver verbeteren. Indien gij ook de toekomstige pijnen van hel en vagevuur ernstig overdacht, ik geloof dat gij gaarne alle arbeid en lijden verdragen zoudt en geen streng leven schromen. Maar omdat die waarheden niet tot het hart doordringen en dat wij nog zoeken wat ons streelt, daarom blijven wij koud en traag.

Het komt dikwijls uit gemis aan geesteskracht dat ons ellendig lichaam zo licht klaagt. Bid dan ootmoedig de Heer, dat Hij u de geest van droefheid des harten geve, en zeg met de Profeet: Spijzig mij, o Heer, met het brood van weedom, en geef mij drank gemengd met vele tranen (1).

1) Psalm 79: 6

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee