Boek I Hoofdstuk 23 Over het overwegen van de dood

Welhaast zal het hier met u gedaan zijn; zie maar eens hoe uw zaken staan: heden leeft de mens en morgen is hij verdwenen. En is hij uit het oog verdwenen, dan is hij weldra ook uit het hart. O botheid en dwaasheid van het menselijk hart, dat alleen aan het tegenwoordige denkt en het toekomstige niet beter voorziet! Gij moest in al uw werken en gedachten z gedragen, alsof gij heden sterven moest. Indien gij een goed geweten hadt, zoudt gij de dood weinig vrezen. Het ware beter de zonden te schuwen, dan de dood te vluchten. Indien gij heden niet bereid zijt, hoe zult gij het dan morgen zijn? De dag van morgen is onzeker; en wat weet gij of het voor u morgen zal worden?

Wat baat het lang te leven, als wij ons zo weinig beteren? Ach! Een lang leven voert niet altijd tot beterschap, maar dikwijls vermeerdert het de schuld! Ach! Hadden wij op deze wereld maar n dag wl geleefd! Velen berekenen de jaren van hun bekering: maar de vrucht van beterschap is dikwijls zo klein. Indien het sterven schrikbarend is, denk dat het misschien nog gevaarlijker is langer te leven. Indien gij ooit een mens hebt zien sterven denk dat gij ook dezelfde weg zult gaan.

Breekt de morgen aan, denk dat gij tot de avond niet zult leven. En is de avond gevallen, wil u de dag van morgen niet verzekerd houden. Wees dan immer bereid, en leef z, dat de dood u nooit onvoorbereid vinde. Vele mensen sterven plotseling en onvoorziens. Want de Zoon des mensen zal komen, op het uur dat wij er het minst aan zullen denken (1). Als dat uur gekomen zal zijn, dan zult gij over al uw voorgaande leven geheel anders oordelen; en gij zult ten uiterste droef zijn, omdat gij zo traag en zo onachtzaam zijt geweest.

En hoe gelukkig is hij en hoe verstandig, die nu zodanig tracht te zijn in het leven, als hij wenst bevonden te worden bij de dood. Volkomen verachting der wereld, vurige begeerte naar vooruitgang in de deugd, liefde der regeltucht, strengheid in het boete doen, vlijtigheid in het gehoorzamen, verloochening van zichzelf, en geduld om alle tegenspoed te dragen ter liefde van Christus, zullen een groot vertrouwen geven op een zalig sterven. Gij kunt vele goede werken doen, terwijl gij gezond zijt; maar wat gij, ziek zijnde, zult kunnen doen, weet ik niet. Weinigen beteren zich met ziek te zijn: gelijk er ook weinigen heiliger worden door gedurige bedevaarten.

Betrouw niet op vrienden en verwanten, en stel uw zaligheid niet uit tot de toekomst: want de mensen zullen u eerder vergeten dan gij meent. Het is geraadzamer er bijtijds in te voorzien, en enige goede werken vooraf te zenden, dan op de hulp van een ander te bouwen. Indien gij nu voor uzelf niet zorgt, wie zal namaals voor u bekommerd zijn? De tijd is nu zeer kostbaar: Nu zijn het de dagen van zaligheid, nu is het de bekwame tijd (2). Maar helaas! Hoe jammer, dat gij die tijd niet beter waarneemt, waarin gij een eeuwig leven verdienen kunt. De tijd zal komen, dat gij naar n dag, ja naar n uur verlangen zult om u te beteren, en ik weet niet, of gij die verkrijgen zult.

Welaan dan, allerliefste, denk toch uit welk gevaar gij uzelf kunt redden, hoe grote vrees gij kunt vermijden, met nu altijd op uw hoede en bezorgd te zijn voor de dood. Tracht nu z te leven dat gij in het uur van uw dood u eerder moogt verblijden dan bevreesd te zijn. Leer nu de wereld afsterven, om dan te gaan leven met Christus. Leer nu alles versmaden, opdat gij dan ongehinderd tot Christus moogt oprijzen. Kastijd nu uw lichaam met boetvaardigheid, opdat gij dan een vast vertrouwen moogt hebben.

Ach, dwaze mens, waarom denkt gij lang te leven, daar gij niet n dag zeker hebt? Hoevelen zijn bedrogen geweest en onvoorziens uit dit leven weggerukt? Hoe dikwijls hebt gij horen vertellen: deze viel onder het zwaard, gene is verdronken, deze van een hoogte stortend, heeft de hals gebroken; die is bij het eten gestorven, gene bij het spelen? De ene is omgekomen door het vuur, een andere door het staal, een derde door de pest, een vierde door rovershanden, en zo is aller einde de dood, ens mensen leven gaat voorbij als een schaduw (3).

Wie zal u na de dood gedenken? En wie zal hier voor u bidden? O allerliefste, doe nu alles wat gij kunt, want gij weet niet wanneer gij sterven zult en gij weet ook niet wat er voor u en na de dood volgen zal. Terwijl gij nog tijd hebt, verzamel u onsterfelijke rijkdommen. Houd u alleen met uw zaligheid bezig; zorg alleen voor wat God aangaat. Maak nu goede vrienden, met de Heiligen Gods te vereren, en hun werken na te volgen; opdat, als gij uit dit leven zult scheiden, zij u ontvangen in de eeuwige woonsteden (4).

Houd u als een pelgrim en een vreemdeling op aarde (5), die zich de dingen van deze wereld niet aantrekt. Houd uw hart vrij en altijd tot God opgeheven, want gij hebt hier geen blijvende stad (6). Stuur uw gebeden en dagelijkse zuchten der tranen naar de hemel, opdat uw ziel, na de dood, gelukkig tot de Heer moge overgaan. Amen.

1) Luk. 12: 40

2) 2 Kor. 6: 2

3) Job 14: 2

4) Luk. 16: 9

5) 1 Petr. 1: 11

6) Hebr. 13: 14

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee