Boek I Hoofdstuk 3 Over de leer der waarheid

 

Zalig hij, die de waarheid zelf onderricht, niet door beelden en voorbijgaande woorden, maar zoals zij waarlijk is. Ons goeddunken en onze zin bedriegen ons dikwijls en ontdekken weinig. Wat baat een grote redetwist over geheime en duistere dingen, waarvoor men ons in het oordeel niet verwijten zal, al hebben wij ze niet geweten? Het is grote dwaasheid dat wij nuttige en noodzakelijke dingen verwaarlozen, en ons met zeldzame en schadelijke bezig houden. Wij hebben ogen en zien niet (1).

Wat moeten wij ons bekommeren met kennis van geslachten en soorten? Hij, tot wien het eeuwige Woord spreekt, is van vele opvattingen bevrijd. Uit dat eeuwig Woord komt alles, en alles spreekt van het Woord: en dat is het begin (God zelf) dat tot ons spreekt (2). Niemand begrijpt zonder Hem, noch oordeelt juist. Hij, voor wien één zaak alles is, die tot één zaak alles terugbrengt, en daarin alles ziet, hij kan standvastig van hart zijn, en gerust in de Heer volharden. O waarheid, die God zijt, maak mij één met U in (één) eeuwige liefde! Het verdriet mij menigmaal, veel te lezen en te horen: in U is alles wat ik wil en verlang. Dat alle leraars zwijgen, alle schepselen voor uw aanschijn hun stem weerhouden: spreek Gij alleen tot mij.

Hoe meer iemand ingetogen is, en van al het tijdelijke onthecht, des te meer en verhevener zaken hij zonder moeite begrijpen zal, omdat hij van boven de genade van verstand ontvangt. Een zuivere eenvoudige en standvastige ziel is temidden van drukke bezigheden niet verstrooid, omdat zij alles ter liefde Gods doet, en altoos tracht alle eigengenot te vluchten. Wat gaat er u meer tegen en valt lastiger, dan de onverstorven genegenheden van uw hart? Een goed en godvruchtig mens overlegt eerst inwendig de werken, die hij uitwendig moet doen. En deze trekken hem niet tot de lusten der ongeregelde genegenheid; maar hij wendt ze naar het voorschrift der gezonde rede. Wie heeft een grotere strijd, dan die tracht zichzelf te overwinnen? En dit zou toch onze voornaamste bezigheid moeten zijn, te weten: onszelf overwinnen, dagelijks zich meer meester worden en vooruitgaan in het goed.

Alle volmaaktheid in dit leven gaat met enige onvolmaaktheid gepaard, en onze kundigheden zijn niet van alle duisterheid bevrijd. De ootmoedige kennis van uzelf is een zekerder weg tot God, dan de diepe navorsing der wetenschap. Niet dat de wetenschap of de eenvoudigste zakenkennis misprezen moet worden: zij is, in haarzelf beschouwd, goed, en door God verordend; maar een goed geweten en een deugdzaam leven verdienen toch altijd meerder achting. Maar omdat er velen meer verlangen naar kennis dan om wél te leven, daarom dolen zij dikwijls, en brengen weinig of bijna geen vruchten voort.

Och, indien zij zoveel ijver besteedden om hun gebreken uit te roeien en deugden te bekomen, als om vraagstukken op te lossen, er zou zoveel kwaad en zoveel ergernis onder ’t volk niet zijn, noch zoveel verslapping in de kloosters. Voorwaar, op de dag van het oordeel zal men ons niet vragen wat wij gelezen, maar wat wij gedaan hebben; noch hoe fraai wij gesproken, maar hoe godsdienstig wij geleefd hebben. Zeg mij, waar zijn nu al die leraars en die meesters, die gij wel gekend hebt, toen zij nog leefden, en door hun geleerdheid hooggevierd waren? Anderen bezitten nu hun ambten, en wie weet of zij aan hen nog denken. In hun leven schenen zij iets te zijn, en nu zwijgt men over hen.

O, hoe snel gaat de roem der wereld voorbij! Och, had hun leven overeengekomen met hun wetenschap, dan zouden zij met vrucht gestudeerd en onderwezen hebben. Hoevelen gaan er in de wereld niet verloren, omdat zij, door hun ijdele wetenschap, weinig bekommerd zijn om God te dienen! En omdat zij eerder verkiezen groot te zijn dan ootmoedig, daarom worden zij ijdel in hun gedachten (3). Hij is waarlijk groot, die een grote liefde heeft. Hij is waarlijk groot, die zichzelf kleinacht, en die het toppunt van eer voor niets aanrekent. Hij is waarlijk wijs, die alle aardse dingen als vuilnis acht, om Christus te gewinnen (4). En hij is waarlijk wel geleerd, die de wil van God volbrengt en zijn eigen wil verlaat.

1) Jeruzalem. 5: 1

2) Joh. 8: 25

3) Rom. 1: 21

4) Philipp. 3: 8

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee