Boek II Hoofdstuk 10 Over de dankbaarheid van Gods genade

Waartoe zoekt gij rust, daar gij geboren zijt om te arbeiden? (1). Bereid u meer tot lijden dan tot verblijden, meer om uw kruis te dragen, dan om vreugde te genieten. Wie van de wereldse mensen zelfs zou niet gaarne vertroostingen en geestelijke blijdschap aannemen, indien hij ze altoos kon bekomen? Want de geestelijke vertroostingen gaan alle wereldse genoegens en lichamelijke lusten verre te boven. Al de genoegens dezer wereld zijn of ijdel of schandelijk: de geestelijke genietingen zijn alleen eerbaar en vermakelijk, als voortkomende uit de deugd, en door God ingestort in de zuivere harten. Maar niemand kan de goddelijke vertroostingen altijd naar eigen behagen genieten, want de tijd der bekoring houdt nooit lang op.

Doch een valse vrijheid van geweten en een groot zelfbetrouwen beletten zeer de hemelse bezoeken.

God doet wldaad, met de genade der vertroosting de schenken; maar de mens handelt kwalijk, als hij Hem niet alles wedergeeft door de dankzegging. En, daarom vloeien de gaven der genaden in ons niet wijl wij jegens God ondankbaar zijn en wij niet alles wedersturen tot de Bronwel. Want hij verdient altijd nieuwe genaden, die naar de eis dankbaar is; maar God ontneemt de hovaardige, wat hij gewoonlijk aan de ootmoedige geeft.

Ik wil de vertroosting niet, die mij de vermorzeling des harten beneemt, en ik begeer geen beschouwing, die tot hovaardigheid voert. Want niet al het hoge is heilig, en niet al het zoete goed: alle wensen zijn niet rein en niet al het liefelijke aangenaam aan God. Ik ontvang gaarne zulke genade, waardoor ik altijd ootmoediger, godvrezender en bereidwilliger word om mijzelf te verloochenen. Die onderwezen is door de genade, en dikwijls gekastijd door de onttrekking van die genade, zal zichzelf niets goeds durven toeschrijven; maar zal zich eerder naakt en arm belijden. Geef God wat God toekomt (2), en schrijf aan uzelf toe wat het uwe is: bedank God voor zijn genaden, en belijd dat gij aan uzelf alleen de zonden en billijke straf voor de zonde te wijten hebt.

Stel u altijd op de laatste plaats (3), en de eerste zal u gegeven worden; want het verhevenste kan zonder het nederigste niet bestaan. De grootste heiligen bij onze Heer staan allerlaagst bij zichzelf; hoe meerder zij verheven worden, hoe nederiger zij van hart zijn. Daar zij vervuld zijn met de waarheid en hemelse glorie, zo zoeken zij geen ijdele glorie. Daar zij in God wel gevestigd zijn, kunnen zij geenszins hovaardig zijn. Wijl zij aal goed aan God toeschrijven, zo begeren zij niet geprezen te worden van elkander, maar zij zoeken alleen de glorie, die van God komt (4). En zij begeren en wensen, dat God in hen en in alle heiligen boven al geprezen worde, en altoos streven zij naar dit.

Wees God dan dankbaar voor de minste weldaad, en gij zult waardig worden grotere gaven te ontvangen. Houd de allerminste genade voor zeer groot, en het meer onaanzienlijke voor een bijzondere weldaad. Als men de waardigheid van de Gever inziet, zo zal geen gave slecht of klein wezen; want het kan niet klein wezen, wat door de Allerhoogste gegeven wordt. Ja, al is het dat Hij ons straffen en plagen overzendt, wij moeten die in dank aannemen; want al wat Hij ons laat overkomen, is dienstig voor onze zaligheid. Wie dan de genade Gods zoekt te behouden, moet dankbaar zijn voor geschonken genade, verduldig als hem die onttrokken wordt, bidden, opdat zij wederkome, voorzichtig en ootmoedig zijn, om ze niet te verliezen.

(1) Job 5: 7 (2) Luk. 14 (3) Luk. 14 (4) Joh. 5: 44

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)