Boek II Hoofdstuk 4 Over de reinheid van het hart en de eenvoudige mening

Door twee vleugelen wordt de mens boven het aardse geheven, te weten: door de eenvoud en door de zuiverheid. Eenvoud moet in de mening zijn, en zuiverheid in het hart. De eenvoud zoekt God, de zuiverheid vindt Hem en smaakt Hem. Geen goed werk zal u zwaar vallen, indien gij inwendig vrij zijt van ongeregelde neiging. Indien gij niets anders dan Gods welbehagen en het voordeel van de naaste beoogt en zoekt, zo zult gij de inwendige vrijheid genieten. Indien uw hart oprecht was, dan zou elk schepsel tot een spiegel van het leven dienen, en tot een boek van heilige lering. Daar is geen schepsel, hoe klein en gering ook, of het vertoont in zich de goedheid Gods.

Indien gij van binnen goed en zuiver waart, dan zoudt gij alle dingen zonder beletsel zien, en wel begrijpen. Een zuiver hart doordingt de hemel en de hel. Zo iemand van binnen gesteld is, zo oordeelt hij over het uitwendige. Is er ergens blijdschap in de wereld, zo geniet ze een mens die zuiver van hart is. En is er ergens benauwdheid of zwarigheid, zo gevoelt een kwaad geweten ze allermeest. Gelijk het ijzer, in het vuur geworpen, de roest verliest, en wit gloeiend wordt, zo legt een mens, die zich tot God bekeert, alle traagheid af, en verandert in een nieuwe mens.

Als een mens begint te verflauwen, dan vreest hij een weinig inspanning, en hij ontvangt gaarne uitwendige troost. Maar als hij zich volkomen begint te overwinnen, en vroom in de weg des Heren te wandelen, dan acht hij licht, wat hem tevoren zwaar scheen.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)