Boek II Hoofdstuk 6 Over de vreugde van een goed geweten

De roem van de goed mens is het getuigenis van een goed geweten. Heb een goed geweten, en gij zult immer blijde zijn. Een goed geweten kan zeer veel verdragen en is welgemoed in t midden van tegenspoed; maar een kwaad geweten is altoos in vrees en in onrust. Gij zult zacht rusten, indien uw hart u niets te verwijten heeft. Wil u niet verblijden tenzij gij wel gedaan hebt. Boze mensen genieten nooit ware vreugde noch gevoelen de inwendige vrede; want er is geen vrede voor de goddelozen, zegt de Heer. (1). Al zeggen zij somtijds: Zie, wij zijn gerust, geen kwaad zal ons overkomen; en wie zou ons durven hinderen? (2). Geloof hun niet: want de gramschap Gods zal onverwachts oprijzen, en dan zullen hun werken worden te niet gebracht, en hun plannen ten ronde gaan (3).

Juichen bij het lijden, valt niet zwaar aan wie God bemint: want zich alzo verheugen, is zich verblijden in het kruis des Heren (4). De roem is kort, welke door de mensen gegeven en ontvangen wordt. De roem van de wereld is altijd gepaard met droefheid. Maar de roem der braven is in hun geweten, en niet in de mond der mensen. De blijdschap der rechtvaardigen is uit God en in God, en hun vreugde vloeit voort uit de waarheid. Wie de ware en eeuwige vreugde ontvangt, acht de tijdelijke niet. En die de tijdelijke roem najaagt, of niet uit ter harte versmaad, wees verzekerd dat hij de eeuwige niet genoeg bemint. Hij geniet een grote rust des harten, die zich aan lof of blaam niet gelegen laat.

Hij die een zuiver geweten heeft, zal zeer licht tevreden zijn. Gij zijt niet heiliger als gij geprezen wordt, noch slechter, als gij veracht wordt. Wat gij zijt, dat zijt gij; en gij kunt door het zeggen van anderen niet groter worden, dan gij zijt naar Gods getuigenis. Indien gij bemerkt wat gij bij uzelf van binnen zijt, dan zult gij er u niet om bekreunen wat de mensen van u zeggen. De mens ziet op het uiterlijk, maar God ziet tot in het hart (5). De mens aanziet de werken, maar God onderzoekt de mening. Altijd wl doen, en weinig van zichzelf houden, dat is het kenmerk van een ootmoedige ziel. Geen troost van enig schepsel zoeken, is het teken van grote zuiverheid en van zielsvertrouwen.

Wie van buiten nergens een gunstig getuigenis voor zich zoekt, toont dat hij zichzelf geheel aan God heeft overgegeven. Want, gelijk Paulus zegt, niet hij, die zichzelf prijst, is lofwaardig, maar die door God geprezen wordt (6). Met God inwendig verkeren, en aan niets uitwendigs gehecht zijn, is de gesteltenis van een geestelijke mens.

(1) Is. 68: 22 en 67: 22 (2) Jeruzalem. 5: 12 (3) Ps. 145: 4 (4)Gal. 6: 14 (5) 1 Kon. 16: 7 (6) 2 Kor. 10: 18

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee