Boek III Hoofdstuk 1 Over het inwendig gesprek van Christus met de gelovige ziel

De ziel. – Ik zal aanhoren wat God de Heer in mij spreekt (1).

Zalig de ziel, die in zich de Heer hoort spreken, en uit zijn mond een troostwoord ontvangt. Zalig de oren, die trillingen van goddelijke inspraak horen (2), en geen acht geven op influisteringen der wereld. Zalig voorwaar de oren, die niet naar de stem luisteren die van buiten spreekt, maar naar de waarheid, die van binnen onderwijst. Zalig de ogen, die, gesloten voor het uitwendige, alleen gevestigd zijn op het inwendige. Zalig zij, die het inwendige doordringen, en die zich door dagelijkse oefeningen meer en meer trachten voor te bereiden om de hemelse verborgenheden te kennen. Zalig zij, die hun vermaak stellen om met God onledig te zijn en zich los te rukken van alle hindernis der wereld. Bemerk wel deze dingen, mijn ziel, en sluit de deuren van uw zinnelijkheid, opdat gij moogt horen wat de Heer uw God in u spreekt.

Christus. – Ziehier wat uw beminde zegt: Ik ben uw heil, uw vrede en uw leven. Houd u bij mij, en gij zult rust vinden. Laat al het vergankelijke varen, en zoek het eeuwigdurende. Wat zijn alle tijdelijke dingen anders dan bedrog? En wat baten al de schepselen, als gij van de Heer verlaten wordt? Laat dan alles varen, en maak u aangenaam en getrouw aan uw Schepper, opdat gij het waar geluk moogt bereiken.

Ps. 84: 9 Job 4: 2

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee