Boek III Hoofdstuk 10 Het is zoet met de versmading der wereld God te dienen

Ik zal nogmaals spreken, o Heer, en niet zwijgen; ik zal spreken tot mijn God, mijn Heer en mijn Koning, die in de hoge woont. O Heer, hoe groot is de overvloed der zoetheid die Gij verborgen houdt voor die U vrezen! (1) Maar wat zijt Gij voor hen die U beminnen, en die uit ganser hart U dienen? Voorwaar de zoetheid van uw beschouwing, die Gij geeft aan uw minnaars, is onuitsprekelijk. Hierin hebt Gij mij vooral uw goedertieren liefde getoond, dat, als ik niets was, Gij mij geschapen hebt; en dat Gij mij weder op de rechte weg hebt teruggebracht, als ik ver van U was afgedwaald, om U te beminnen.

O bron der eeuwige liefde! Wat zal ik van U zeggen? Hoe zou ik U kunnen vergeten, die u gewaardigd hebt aan mij te denken, ook nadat ik bedorven en verloren was? Uw barmhartigheid jegens uw dienaar heeft alle verwachting overtroffen, en Gij hebt uw genade en uw liefde, boven al zijn verdienste, hem betoond. Wat zal ik voor u die genade wedergeven? Want het is alle mensen niet vergund, dat zij, na van alles afstand gedaan te hebben, de wereld zouden verlaten, om het kloosterleven te aanvaarden. Is het een grote zaak dat ik U dien, Gij die door alle schepselen gediend moet worden? Het mag mij niets groots schijnen dat ik U dien; maar dit schijnt mij eerder groot en wonderbaar, dat Gij een zo arm en onwaardig schepsel in uw dienst wilt aannemen, en onder het getal van uw geliefde dienaren rekenen.

Zie, alles wat ik heb, en waar ik U mede dient, behoort U toe. Doch, integendeel, Gij dient eerder mij dan ik U. Zie, hemel en aarde, die Gij tot onze dienst geschapen hebt (2), zijn gereed, en doen dagelijks wat Gij hun beveelt. Maar dit is nog weinig, want Gij hebt de Engelen ten dienste van de mens bestemd (3). Doch, wat alles te boven gaat, is dat Gijzelf u gewaardigd hebt U zelf aan hem te geven.

Wat zal ik U wedergeven voor zovele weldaden? Ach! kon ik U dienen al de dagen van mijn leven! Ware ik tenminste in staat om U maar n dag waardig te dienen! Voorwaar Gij zijt alle dienst, alle eer en alle lof waardig. Gij zijt waarlijk mijn Heer, en ik ben uw arme knecht, die verplicht ben U uit al mijn kracht te dienen, en nimmer in uw lof te verflauwen. Aldus wil en wens ik het, wil zelf aanvullen wat mij daartoe ontbreekt.

Het is, ja, een grote eer, een grote roem U te dienen en alles om U te versmaden. Want die zich gewillig aan uw heilige dienst onderwerpen, zullen grote genade ontvangen. Die uit liefde tot U alle zinnelijk vermaak hebben verlaten, zullen de zoetste troost van de Heilige Geest smaken. En die om uw naam de enge weg inslaan, en alle wereldse zorg ter zijde stellen, zullen in grote vrijheid van geest wandelen.

O, hoe zoet en vermakelijk is het God te dienen, waardoor de mens vrij en heilig wordt! O zalige onderwerping aan het kloosterleven, waardoor de mens gelijk wordt aan de Engelen, aangenaam aan God, vreselijk aan de duivelen, en achtingswaardig aan alle christenen! O minnelijke en benijdenswaardige dienst, waardoor men het hoogste goed en de blijdschap die eeuwig zal duren, bekomt!

(1) Ps. 30: 20 (2) Deut. 4: 12 (3) Hebr. 1: 14

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)