Boek III Hoofdstuk 11 Men moet de begeerte van zijn hart onderzoeken en regelen

CHRISTUS. – Zoon! gij moet nog veel aanleren, dat gij nog niet genoeg geleerd hebt.

DE ZIEL. – Heer, welke zijn die dingen ?

CHRISTUS. – Dat gij al uw begeerten naar mijn behagen moet schikken; dat gij uzelf niet moogt zoeken, maar altijd en in alles mijn wil tracht te volgen. Sommige begeerten ontvlammen u dikwijls, en drijven u geweldig voort: maar zie toe of gij wel voor mijn eer wordt aangedreven, en niet eerder om uw eigen voordeel. Indien ik er de oorzaak van ben, zo zult gij wl tevreden zijn, hoe ik het ook schikke; maar indien er iets van eigenbaat onder schuilt, zal dat u veel hinderen en bezwaren.

Wacht u dan van te zeer op een begeerte te steunen, die gij hebt opgevat zonder Mij raad te vragen, die gij hebt opgevat zonder Mij raad te vragen; opdat het u daarna niet berouwe en mishage, wat u tevoren beviel, en dat u het best scheen. Want niet alle begeerte die goed schijnt, moet aanstonds ingevolgd worden: evenmin als alle tegenstrijdige gedachte dadelijk verworpen moet worden. Het is soms zeer goed dat men de beste begeerte bedwinge, opdat, met de bekommernis, de geest niet verstrooid worde, en aan anderen geen ergernis geve door onbescheidenheid van gedrag, of ook niet neerslachtig of ontstemd worde wanneer iemand onze begeerte wederstaat.

Somtijds evenwel moet men geweld gebruiken en de zinnelijkheid kloekmoedig wederstaan, zonder acht te nemen op hetgeen het vlees begeert of niet begeert; maar dat men liever er voor zorg drage dat het vlees, ook tegen zijn wil, aan de geest onderworpen zij.

En zolang moet het gekastijd en gedwongen worden, tot het voor alles bereid is en leert zich met weinig tevreden te houden, het allergeringste te beminnen, en nooit over iets te klagen.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)