Boek III Hoofdstuk 14 Hoe men zich moet houden en spreken, als in ons enige troost ontstaat

Hoe wij de verborgen oordelen van God moeten beschouwen, om ons over het goede te verheffen Hoe men zich moet houden en spreken, als in ons enige troost ontstaat

Heer! als Gij de donder van uw oordelen over mij zendt, schudt Gij mijn beenderen met angst en vrees, en mijn ziel is zeer verschrikt. Ik sta verbaasd bij het zien dat zelfs de hemelen niet zuiver zijn voor uw ogen (1). Want Gij hebt in uw engelen zelf boosheid gevonden (2), en zelfs hen niet gespaard (3), wat zal er van mij worden? De sterren zijn uit de hemel gevallen (4), en ik, stof en as, wat vermeet ik mij? Vele mensen, wier leven zeer loffelijk scheen, zijn diep gevallen, en die het brood der Engelen aten, heb ik smaak zien vinden in de draf der varkens.

Geen heiligheid is er dus, als Gij, o Heer, uw hand intrekt. Geen wijsheid kan baten, als Gij ophoudt haar te geleiden. Geen sterkte kan helpen, zo Gij nalaat haar te ondersteunen. Geen kuisheid is verzekerd, zo Gij haar niet beschermt. Geen eigen bewaring is toereikend, zo Gijzelf ons niet behoedt. Want als wij door U verlaten worden, zinken wij en gaan wij verloren; maar door U bezocht, worden wij opgebeurd en herleven wij. Wij zijn ongestadig, maar Gij bevestigt ons door woorden; wij zijn lauw, maar Gij ontsteekt ons.

O, wat klein gevoelen moet ik van mijzelf hebben; hoe weinig is het te achten, indien ik iets goeds schijn te hebben? O, hoe diep, Heer, moet ik mij buigen onder uw grondeloze oordelen, voor welke ik mij niets anders bevind te zijn dan een niet, en een enkele niet. O onberekenbaar gewicht, o onoverkomelijke zee, waar ik van mijzelf niets vind, waar ik ben als een niet in het heelal! Waar zal ik dan de ijdele glorie, waar het vertrouwen op eigen deugd schuilplaats vinden? Alle ijdele roem, o Heer, wordt geheel verzwolgen in de diepte van uw oordelen over mij.

Wat is toch alle vlees voor uw ogen? Zal de klei zich verheffen tegen Hem, die haar gevormd heeft? (5). Hoe kan de mens zich verheffen door ijdele woorden, die niet met het hart aan God waarlijk onderworpen is? Geheel de wereld kan hem niet hovaardig maken, die aan de heerschappij der waarheid onderworpen is; die al zijn hoop op God gevestigd heeft, zal door het gevlei der mensen niet bewogen worden. Want die zelf, die spreken, zijn een niet; zij zullen allen vergaan met het geluid van hun stem: maar de waarheid des Heren blijft in eeuwigheid (6).

(1) Job 15: 15 (2) Job 14 (3) Petr. 2: 4 (4) Apoc. 6: 13 (5) Is. 29: 16 (6) Ps. 116: 2

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee