Boek III Hoofdstuk 16 Oprechte troost moet men alleen in God zoeken

DE ZIEL. – Al wat ik tot mijn troost kan wensen of uitdenken, verwacht ik hier nat, maar hiernamaals. Want al bezat ik alleen al de vertroostingen der wereld, en genoot ik alle vermaken, zo is het zeker, dat zulks niet lang zou kunnen duren. Zodan, mijn ziel, gij kunt niet volkomen getroost worden of verblijd zijn dan in God, de Trooster der armen en de Verheffer der ootmoedigen. Wacht een weinig, mijn ziel, verbeid toch de goddelijke belofte,, en gij zult overvloed van alle goed in de hemel genieten. Indien gij al te zeer de tijdelijke dingen begeert, dan zult gij de hemelse, en eeuwige missen. Houd het tijdelijke tot uw gebruik, maar kies het eeuwige voor uw wensen. Geen tijdelijk goed kan u verzadigen, dewijl gij niet geschapen zijt om dat te genieten.

Al bezat gij al de geschapen goederen, nog zoudt gij niet gelukkig of tevreden zijn: maar geheel uw geluk en uw zaligheid is gelegen in God, die alles geschapen heeft. Niet een geluk gelijk de dwaze minaars van de wereld zich inbeelden en wensen; maar gelijk alle getrouwe dienaren van God verwachten, en welke de godvruchtige mensen en de reinen van hart, wier bekering in de hemel is (1), somtijds bij voorbaat smaken. Alle menselijke troost is ijdel en kortstondig. Zalig en waarachtig is de troost, die men inwendig ontvangt van de waarheid. Een godvruchtig mens draagt altijd met zich Jezus zijn Verlosser, tot wie hij zegt: Sta mij bij, Heer, in alle plaatsen en tijden. Dat dit mijn vertroosting zij, gaarne alle menselijke troost te ontberen. En wanneer mij uw troost ontbreekt, dan zij uw wil en uw rechtvaardige beproeving mijn grootste troost. Want uw gramschap zal niet altoos duren, en uw bedreiging zal niet eeuwig zijn (2).

(1) Philipp. 3: 20 (2) Ps. 102: 9

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee