Boek III Hoofdstuk 20 Over de erkenning van zijn eigen zwakheid en over de ellende van dit leven

DE ZIEL. – Heer, ik zal mijn ongerechtigheid tegen mij belijden (1): voor U zal ik mijn zwakheid bekennen. Dikwijls is het een kleine zaak, die mij kleinmoedig en bedroefd maakt. Ik maak een voornemen, mij kloekmoedig te gedragen; maar overkomt mij een kleine bekoring, terstond word ik zeer benauwd.

Het is bijwijlen een nietigheid, waaruit een grote bekoring ontstaat. En als ik enigszins meen gerust te zijn, daar ik niets gevoel, zo word ik somtijds door een lichte windstoot bijna omvergeworpen.

Aanzie dan, Heer, mijn nederigheid en broosheid, die U alleszins bekend is. Wees mij genadig, en trek mij uit het slijk, opdat ik daar niet in verzinke, en geheel in kleinmoedigheid vervalle (1). Wat mij zo dikwijls tegenstaat en voor uw aanschijn beschaamd maakt, is, dat ik zo wankelend, en krank ben om aan mijn driften te wederstaan. En al brengen zij mij niet tot volkomen toestemming, nochtans valt mij hun aanvechting lastig en pijnlijk, en het verdriet mij dagelijks te moeten strijden.

En hieruit leer ik bijzonder mijn zwakheid kennen, dat afschuwelijke voorstellingen zich altijd veel gemakkelijker opdringen dan heengaan.

O allersterkste God van Isral, vurige minnaar der gelovigen! Aanzie de arbeid en de droefheid van uw minnaar, en sta hem ter zijde bij alles waartoe hij zich begeeft (2). Versterk mij met de hemelse sterkte, opdat de oude mens, dat ellendig vlees, aan de geest nog niet onderworpen, de overhand niet behale; want zolang dit ellendig leven duurt, zal men daartegen moeten strijden. Ach, wat is toch dit leven, waar geen ellende en bekoringen ontbreken, waar alles vol is van strikken en vijanden! Want als de een bekoring of kwelling weggaat, is er reeds een andere in aantocht, ja terwijl de eerste strijd nog duurt, komen er meer andere onverwachts bij.

Hoe kan dit leven bemind worden, dat met zoveel bitterheden doorzaaid, aan zovele ellenden en rampen onderworpen is? Hoe kan het toch een leven genoemd worden, daar het zovelerlei dood en verderf voortbrengt. En nochtans wordt het bemind, en velen zoeken er hun genoegen in. Men zegt dikwijls, dat de wereld bedrieglijk en ijdel is; en nochtans wordt zij node verlaten, omdat de lusten van het vlees de overhand hebben. Sommige dingen lokken ons om de wereld te beminnen, andere om ze te versmaden. De begeerlijkheid van het vlees, de begeerlijkheid der ogen, en de hovaardij van het leven trekken ons tot de liefde der wereld (3); maar de pijnen en de ellenden, die met recht daarop volgen doen ons de wereld haten.

Maar, helaas! Het zondig vermaak overwint een hart, dat tot de wereld genegen is, en het meent dat er groot vermaak onder doornen schuilt (4), omdat het de zoetheid van God en de inwendige bekoorlijkheid der deugd niet kent of nooit gesmaakt heeft. Maar aan die de wereld volkomen versmaden en onder heilige tucht voor God willen leven, is de goddelijke zoetheid niet onbekend, die aan de ware versmaders der wereld beloofd is; en zij zien klaar hoezeer de wereld dwaalt en zich veelvuldig bedriegt.

(1) Ps. 31: 5 (2) Jos. 1: 9 (3) Joann. 2: 16 (4) Job 30: 7

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee