Boek III Hoofdstuk 21 Boven alle goederen en gaven moet men in God alleen rust zoeken

DE ZIEL. – Neem altijd boven alles en in alles uw rust in de Heer, want Hij is de eeuwige rust der heiligen. O allerzoetste en allerbeminnelijkste Jezus, geef mij dat ik in U moge rusten boven alle schepsel, boven alle gezondheid en schoonheid, boven alle eer en roem, boven alle macht en waardigheid, boven alle wetenschap en vernuft, boven alle rijkdommen en kunsten, boven alle blijdschap en vrolijkheid, boven alle faam en lof, boven alle zoetheid en troost, boven alle hoop en belofte, boven alle verdienste en verlangen, boven alle gaven en giften die Gij ons kunt ingeven en storten, boven alle heil en verrukking, die een ziel bevatten en gevoelen kan. Eindelijk, boven de Engelen en Aartsengelen boven alle hemelse Heirscharen, boven al het zichtbare en onzichtbare en, o mijn God, boven alles, wat Gij niet zijt.

Want Gij alleen, mijn Heer en mijn God, zijt oneindig goed, Gij alleen zijt de allerhoogste, de machtigste, de allerrijkste, en algenoegzame, de zoetste, de troostrijkste: Gij alleen zijt de schoonste, de minnelijkste, de edelste, de uitmuntendste, in wie alle goederen te zamen in de hoogste volmaaktheid zijn, en altoos geweest zijn en immer zijn zullen. En daarom is alles, wat Gij mij geeft buiten Uzelf, of wat Gij mij van Uzelf openbaart en belooft, te gering en onbevredigend, als ik U niet zie, en niet volkomen bezit. Want mijn hart kan nimmer oprecht rusten, noch geheel tevreden zijn, tenzij het in U berust en zich boven alle gaven en alle schepselen verheft.

O allerliefste Bruidegom, zoete Jezus, allerzuiverste Minnaar, Opperheer van al het geschapene! Wie zal mij de vleugelen der ware vrijheid geven, om tot U op te stijgen en in U te rusten? (1). O wanneer zal mijn hart genoegzaam onthecht zijn van het aardse, en rustig mogen zien en smaken hoe zoet Gij zijt (2), mijn Heer en mijn God? Wanneer zal ik mij ten volle in U verdiepen, en van uw liefde zo doordrongen zijn, dat ik niet mijzelf, maar U alleen gevoel, op een wijze die boven alle verstand verheven en aan alle mensen niet bekend is? Maar nu zucht ik dikwijls, en draag mijn ellenden met smart. Want in dit tranendal ontmoet ik vele kwellingen, welke mij dikwijls ontstellen, bedroeven en omnevelen; dikwijls vermoeien en verstrooien, aanlokken en verstrikken, de vrije toegang benemen tot U, en beroven van die zoete omhelzingen, die de zalige geesten altijd genieten. Dat toch mijn gezuchten mijn verlatenheid op aarde U ontroeren!

O Jezus, glans der eeuwige glorie (1), troost der bedroefde zielen in deze ballingschap! Zie, mijn mond is voor U zonder spraak, en mijn stilzwijgen zegt U alles. Hoelang toeft mijn Heer te komen? Ach! Dat Hij kome tot mij, zijn arme dienaar, en mij verblijde! Dat Hij zijn hand uitreike, en mij van alle benauwdheid verlosse! Kom! Want zonder U kan ik geen blijde dag of stond meer genieten; want Gij alleen zijt mijn blijdschap, en zonder U is mijn tafel ledig. Ik ben door ellenden verdrukt, en als een gevangene met boeien beladen, totdat Gij mij door het licht van uw tegenwoordigheid verkwikt en verlost, en mij uw vriendelijk aanschijn toont.

Dat andere mensen buiten U zoeken wat hun belieft: mij behaagt, mij zal nooit iets behagen dan Gij alleen, mijn God, mijn hoop, mijn eeuwig geluk. Ik zal niet stilzwijgen, niet ophouden te bidden, totdat uw genade tot mij wederkomt, tot Gij inwendig tot mij spreken zult.

CHRISTUS. – Zie, hier ben Ik. Zie, Ik spreek tot u omdat gij Mij geroepen hebt. Uw tranen en de begeerte van uw ziel, de vermorzeling van uw vernederd hart, hebben mij bewogen ene tot u doen komen.

DE ZIEL. – En ik heb gezegd: Heer! Ik heb tot u geroepen, en gewenst U te genieten, bereid alles te verlaten om uwentwil. Want Gij hebt de eerste mij opgewekt, opdat ik U zou zoeken. Wees dus gezegend, o Heer! Die deze gunst bewezen hebt aan uw dienaar, volgens de overvloed van uw barmhartigheid. Wat kan uw dienaar verder zeggen in uw tegenwoordigheid, wat zal hij doen dan zich diep voor U vernederen, altoos indachtig zijnde zijn eigen boosheid en verworpenheid. Want uws gelijken hebt Gij niet onder al het betoverende, in hemel en op aarde. Uw werken zijn volmaakt (4), uw oordeel is het juiste (5), en door uw Voorzienigheid wordt het heelal geregeld (6). U zij dan lof en eer, o Wijsheid des Vaders: dat mijn mond, mijn ziel, en alle schepselen te zamen U loven en verheerlijken!

(1) Ps. 54: 7 (2) Ps. 33: 9 (3) Hebr. 1: 3 (4) Gen. 1: 31 (5) Ps. 18: 10 (6) Wijsh. 4: 3

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)