Boek III Hoofdstuk 22 Over het gedenken van Gods weldaden

DE ZIEL. – Heer, open mijn hart voor uw wet, leer mij wandelen in uw geboden (1). Geef mij uw wil te mogen kennen, en met grote eerbied en aandacht uw weldaden, zowel de algemene als de bijzondere, te overdenken, opdat ik U daarover waardig moge danken. Maar ik weet en belijd, dat ik ook voor het kleinste deeltje de schuldige dank niet kan betalen. Ik ben minder dan al de weldaden, die Gij mij hebt betoond; en als ik denk aan uw oneindige verhevenheid, zo bezwijkt mijn geest bij dit grootse.

Al wat wij hebben naar ziel en lichaam, alles wat wij inwendig of uitwendig, natuurlijk of bovennatuurlijk bezitten, zijn weldaden van U, en zij verkondigen dat Gij een milde, genadige, en goedertieren gever zijt, van wie wij alle goed ontvangen hebben. Ofschoon de een meer, de andere min ontvangen heeft, is toch alles het uwe; en zonder U kunnen wij het geringste niet bekomen. Wie meer ontvangen heeft, mag er niet over roemen als op eigen verdienste, noch zich boven anderen verheffen, noch de mindere versmaden, want hij is de grootste en beste, die zich het minste toeschijnt, en die U het nederigst en innigst bedankt. Een die zich de verworpenste en onwaardigste van allen acht, is de bekwaamste om grote gaven te ontvangen.

Integendeel, hij die minder gaven ontvangen heeft, moet zich niet bedroeven of wrevelig worden, noch de rijkere benijden, maar hij moet eerder U aanzien, en uw goedheid loven, omdat Gij zo overvloedig, zo milddadig en goedwillig uw gaven uitdeelt zonder aanzien van personen. Alles komt van U, en daarom moet Gij in alles geloofd worden. Gij weet, wat van uw gaven eenieder ten stade komt, en waarom deze meer, gene minder heeft, dit hebben wij niet te onderzoeken, maar Gij alleen, bij wie ieders verdiensten bekend en bepaald zijn.

Daarom, Heer, mijn God, acht ik het voor een grote weldaad, van die gaven niet veel te bezitten, waardoor men uitwendig schittert, en bij de mensen lof en eer bekomt; zodat iemand, die de ellende en verworpenheid van zijn eigen persoon aanschouwt, geenszins daarover zwaarmoedig, bedroefd, of kleinmoedig mag zijn, maar eerder daar troost en groter blijdschap in moet vinden. Want Gij, o God, hebt de armen, de nederigen en die naar de wereld veracht waren, tot uw huisgenoten en vrienden verkoren.

Getuigen hiervan zijn uw Apostelen, welke Gij tot vorsten over gans de wereld hebt aangesteld (2). Zij hebben op deze wereld geleefd zonder klagen, zeer ootmoedig, zeer eenvoudig, zonder enig arglist of bedrog; zodanig dat zij zeer verheugd waren om uw Naam te lijden (3), en dat, waar de wereld een gruwel aan heeft, met grote liefde omhelsden.

Niets moet meer vreugde baren aan die U bemint, en uw weldaden erkent, dan de vervulling van uw heilige wil, en het welbehagen van uw eeuwige raadsbesluiten. Hij moet daarin zoveel tevredenheid en troost vinden, de hij zo gaarne de minste wil zijn als een ander wenst de meeste te wezen. Ja, hij moet zo tevreden zijn op de laatste plaats als op de eerste; hij moet zo gaarne in deze wereld versmaad en verworpen zijn, en beroofd zijn van naam en faam om U, als geacht en geerd te wezen boven alle anderen. Want uw wil, en de liefde tot uw eer, moet alles te boven gaan en moet Hem meer troosten en behagen, dan alle hem gegeven of nog te geven weldaden.

(1) 2 Mach. 1: 4 (2) Ps. 47: 17 (3) Hand. 5: 16

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee