Boek III Hoofdstuk 23 Over de vier vereisten voor grote zielenvrede

CHRISTUS. – Zoon! Nu zal Ik u de Weg van de vrede en de ware vrijheid des harten leren.

DE ZIEL. – Doe dat, o Heer, want het is mij lief dat te horen.

CHRISTUS. – Zoon, tracht liever de wil van een ander te doen dan de uwe. Tracht altoos eerder min te hebben dan meer. Zoek altoos de laatste plaats, en achter eenieder gesteld te zijn. Wens altijd en bid dat Gods wil geheel in u volbracht worde. Zie, een mens die aldus leeft, komt in het land van vrede en rust.

DE ZIEL. – Heer, deze uw les is kort; maar zij bevat in zich een grote volmaaktheid. Zij is kort van woorden; maar rijk van zijn en overvloedig in vruchten. Kon ik die getrouw onderhouden, ik zou zo licht niet ontsteld zijn. Want zo dikwijls als ik mij ongerust en bezwaard gevoel, bevind ik dat ik van deze leer afgeweken ben. Maar Gij, die alles vermoogt, en immer de voortgang der zielen zoekt, vermeerder in mij uw genade, opdat ik uw lering moge nakomen en mijn zaligheid bewerken.

Gebed tegen kwade gedachten

O mijn Heer en mijn God! Wijk van mij niet af: o God! Haast U om mij te helpen (1); want in mij zijn velerlei gedachten en grote angsten opgestaan, die mijn ziel ontstellen. Hoe zal ik daar ongekwetst doorkomen; hoe zal ik ze overwinnen?

Ik zal, zegt de Heer! Gelijk Gij zegt, u voorafgaan, en de hoogmoedigen der aarde vernederen. Ik zal de deuren van de kerker openen, en u verholen geheimen leren kennen (2).

Doe, o Heer, gelijk Gij zegt, en dat alle kwade gedachten van uw aanschijn wegvliegen (3). Het is mijn hoop, en mijn enige troost tot U mijn toevlucht te nemen in alle lijden, op U te vertrouwen, U uit de grond van mijn hart te aanroepen, en uw troost lankmoedig af te wachten.

GEBED OM VERLICHTING VAN DE GEEST

Verlicht mij, o goede Jezus, door de klaarheid van het inwendig licht, en verdrijf alle duisternis uit de woning van mijn hart. Bedwing de aanhoudende verstrooidheid van mijn gedachten, en verjaag de bekoringen, die mij geweldig aanranden. Strijd krachtig met mij, en overwin die wilde roofdieren, ik zeg de verlokkende begeerlijkheden en kwade lusten, opdat er vrede moge zijn in uw sterkte (4), en uw lof weerklinke in uw heilige tempel, dat is, in een rein geweten. Gebied aan winden en tempeesten; zeg tot de zee: bedaar; en tot de noorderwind: houd op met razen; en daar zal grote stilte wezen (5).

Zend uw licht en uw waarheid (6), opdat zij de aarde beschijnen: want ik ben een duistere en ijdele aarde, totdat Gij mij verlicht. Stort uw genade uit van boven, besproei mijn hart met hemelse dauw; verleen de wateren van godsvrucht om deze dorre aarde te bevochtigen, opdat zij goede en rijpe vruchten voortbrenge. Wil mijn hart verheffen, dat door de last der zonde is neergedrukt, en keer al mijn begeerten naar het hemelse, opdat, na de hemelse zoetheid gesmaakt te hebben, het mij walge aan het aardse nog te denken.

Trek mij tot U, en verlos mij van alle troost der schepselen, die niet langer duurt: want geen schepsel kan mijn begeerte verzadigen, noch mijn hart tevreden stellen. Verenig mij met U, door de onbreekbare band der liefde, want Gij alleen zijt genoeg aan de minnende ziel, en zonder U is alles ijdelheid.

(1) Ps. 70: 12 (2) Is. 45: 2 (3) Ps. 67: 1 (4) Ps. 121: 7 (5) Marc. 4: 39 (6) Ps. 92: 3

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee