Boek III Hoofdstuk 29 Hoe men in tegenspoed God moet aanroepen en zegenen

DE ZIEL. – Dat uw Naam in eeuwigheid gezegend zij, Heer? Die mij deze bekoring en deze kwelling hebt willen laten overkomen. Ik kan ze niet ontvluchten, maar ik word genoodzaakt tot U mijn toevlucht te nemen; opdat ik door uw hulp deze kwelling tot mijn goed moge keren. Heer! Zie, ik ben nu in het lijden, en mijn hart is ontsteld; ik word op deze stond door de bekoring zeer geplaagd. O lieve Vader! Wat zal ik nu zeggen? Zie, ik ben bevangen met grote schrik. Red mij in dit uur. Maar daarom ben ik in dit uur gekomen (1), opdat Gij zoudt verheerlijkt worden met mij te verlossen, nadat ik zeer diep vernederd ben geweest. Heer, dat het U toch believe mij te redden (2): want wat kan ik, arme mens, doen, en waar wil ik heen zonder U? O Heer! geef mij ook ditmaal geduld. Help mij, o God! En ik zal niet vrezen, hoezeer ik ook bezwaard worde.

En wat zal ik intussen zeggen? Heer, dat uw wil geschiede (3); ik heb al te zeer verdiend alzo verdrukt en bezwaard te worden. Het past mij dan ook dit te verdragen: en ach! Of ik het verduldig mocht doen, totdat de storm voorbij zij, en het beter met mij ga! Uw almachtige hand zal ook deze bekoring van mij wegnemen, en haar geweld matigen, opdat ik niet geheel bezwijke: gelijk Gij tevoren zo dikwijls met mij gedaan hebt, o mijn God, mijn barmhartigheid! (4) En hoe moeilijker het voor mij is, hoe lichter voor U deze verandering is, die voortkomt van de rechterhand van den Allerhoogste (5).

(1) Joann. 12: 27 (2) Ps. 39: 14 (3) Matth. 26: 42 (4) Ps. 58: 18 (5) Ps. 76: 2

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee