Boek III Hoofdstuk 30 Dat wij Gods hulp moeten afsmeken en op de terugkeer van zijn genade vertrouwen

CHRISTUS. – Zoon! Ik ben de Heer, die sterkte geeft in de dag der bekoring (1). Kom tot mij als het u niet welgaat. Wat allermeest de hemelse troost belet, is, dat gij u te laat tot het gebed begeeft. Want alvorens Mij met aandrang te bidden, zoekt gij elders troost, en uw vermaak in uitwendige dingen. En daarbij komt het dat alles weinig baat, totdat gij bekent dat Ik de Redder ben van wie op Mij hopen (2), en dat er buiten Mij geen krachtige hoop is, geen nuttige raad, geen duurzaam geneesmiddel. Maar nu gij weder adem schept na de storm, herneem uw moed in het licht van mijn barmhartigheden: want Ik ben nabij, zegt de Heer, om alles te herstellen, niet alleen volkomen, maar overvloedig en bovenmate.

Is er voor Mij wel iets moeilijk om te doen? (3) Of zal Ik gelijk zijn aan iemand die gelooft en niet volbrengt? (4) Waar is uw geloof? Sta vast en volhard. Wees lankmoedig en manhaftig: de troost zal u op tijd toekomen. Wacht op Mij, wacht, Ik zal komen en u genezen. Een beproeving is het die u kwelt; een ijdele vrees, die u verschrikt. Waartoe dient al die bezorgdheid voor de onzekere toekomst? Niet dan om uw droefheid te vermeerderen. Iedere dag heeft aan zijn eigen leed genoeg (5). Het is zeer ijdel en dwaas, bedroefd te zijn of verblijd over de toekomstige dingen, die misschien nooit zullen gebeuren.

Het is toch menselijk door zulke inbeeldingen ontsteld te worden, en een teken van kleinmoedigheid, als men zo licht bewogen en verleid wordt door het inblazen van de vijand. Want het is hem onverschillig, of hij iemand met ware of met valse voorstellingen verleidt en bedriegt; of hij iemand overwint door liefde voor het aanwezige of door vrees voor het toekomstige. Wees dan niet ontsteld of bevreesd van hart (6). Gelooft in Mij, en heb vertrouwen in mijn barmhartigheid. Als gij meent dat gij van Mij verwijderd zijt, dan ben ik dikwijls het dichtst nabij. Als gij meent dat bijna alles verloren is, dan is het dikwijls de tijd om veel te verdienen. Het is niet al verloren, omdat een zaak verkeerd uitvalt. Gij moet niet oordelen volgens de indruk, die gij tegenwoordig gevoelt, of gij moogt de zwarigheid, van waar die ook moge komen, zo diep in het hart niet ontvangen, of er u aan overgeven, alsof er geen hoop ware van daaruit te geraken.

Wil niet denken, dat gij geheel verlaten zijt, als is het, dat Ik u voor een tijd enige kwelling toezend of u de vertroosting onttrek; want zo gaat men tot het rijk der hemelen. En het is voor u en voor al mijn dienaren ongetwijfeld voordeliger, door tegenspoed geoefend te worden, dan alles naar uw begeerte te hebben. Ik ken de verborgen gedachten, en Ik weet, dat het voor uw zaligheid zeer dienstig is, dat gij somtijds in dorheid en zonder vertroosting gelaten wordt, opdat gij u niet zoudt verheffen in de vooruitgang, en uzelf zoeken te behagen in wat gij niet zijt. Hetgeen Ik gegeven heb, mag Ik ontnemen, en ook weergeven als het Mij belieft.

Als Ik iets geeft, dan blijft het mijne; als ik het afneem, neem Ik het uwe niet; want alle goede en volmaakte gift komt van Mij (7). Indien Ik u enige zwarigheid of tegenspoed overzend, weest niet gestoord of laat de moed niet zinken. Ik kan in een stond u verlichten en alle zwarigheid in blijdschap verkeren. En wanneer Ik alzo met u handel, blijf Ik rechtvaardig en waard hoog geprezen te worden.

Indien gij wijs zijt, en naar waarheid oordeelt, zo zult gij in tegenspoed niet kleinmoedig zijn, maar eerder zult gij u verblijden en Mij bedanken. Ja, dit alleen zoudt gij voor ware blijdschap moeten rekenen, dat Ik u niet spare: maar door het lijden beproeve (8). Eertijds heb Ik tot mijn discipelen gezegd: Gelijk de Vader Mij bemind heeft, zo bemin Ik u (9). En deze discipelen heb Ik waarlijk niet gezonden tot tijdelijke vreugde, maar tot strijden en lijden; niet tot ereambten, maar tot versmadelijkheden; niet tot ledigheid, maar tot arbeid; niet om te rusten, maar om vele vruchten te vergaderen in lijdzaamheid. Zoon! Wil deze woorden altijd gedenken.

(1) Nahum. 1: 7 (2) ps. 16: 7 (3) Jer. 32: 27 (4) Num. 23: 19 (5) Matth. 6: 34 (6) Joann. 17: 27 (7) Jac. 1: 17 (8) Job 6: 10 (9) Joann. 15: 12

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee