Boek III Hoofdstuk 34 Wie God bemint, vindt bij alles en boven alles in Hem zijn genoegen

DE ZIEL. – Ziedaar mijn God en mijn Al! Wat wil ik mee, wat kan ik gelukkigers wensen? O troostrijk en zoet woord! Maar voor hem die het Woord bemint, niet de wereld en wat in de wereld is (1). Mijn God en mijn Al! Dit is dikwijls genoeg gezegd voor die het verstaat; en het dikwijls herhalen, is genoegzaam aan die bemint. Want daar Gij, o Heer! Tegenwoordig zijt, is alles aangenaam; maar waar gij niet zijt, is alles verdrietig. Gij maakt onze harten gerust, Gij verleent grote vrede en feestvreugde. Gij maakt dat men zich alles laat welgevallen, en in alle dingen U love; zonder U kan niets lang behagen; maar om ergens smaak en genoegen in te bekomen, moet er uw genade bij wezen, en het zout van uw wijsheid het bereiden.

O Heer, die U smaakt, wat zal er hem smakeloos zijn? En iemand, die geen smaak in U heeft, wat zal hem aangenaam kunnen wezen? Maar de wijzen van deze wereld, en de vleselijke gezinden, vergaan in hun wijsheid; want in de wereld is niets dan ijdelheid, en in het vlees niets dan de dood. Maar zij, die U volgen door het versmaden van de wereld en door de versterving van het vlees, zijn waarachtig wijs; want zij gaan van de ijdelheid tot de waarheid over, en van de vleselijkheid tot de geest. Zulke mensen vinden smaak in God, en het goed dat zij in de schepselen vinden, wenden zij aan tot lof van hun Schepper. Nochtans is er een verschil, een groot verschil tussen de smaak van de Schepper en het schepsel, van de eeuwigheid en de tijd, van het ongeschapen licht en het ontstoken licht.

O eeuwig licht, dat alle geschapen lichten oneindig te boven gaat: schiet uw stralen uit van de hemel, en dat zij het binnenste van mijn hart doordringen. Zuiver, verblijd, verlicht en verlevendig mijn ziel met al haar krachten, opdat zij zich met u verenige in juichende verrukking. Ach! Wanneer zal het gelukkig en wenselijk uur komen, dat Gij mij zult verzadigen door uw tegenwoordigheid, en mij alles zijn in alle dingen? Want zolang dit mij niet verleend wordt, zal mijn blijdschap niet volkomen wezen. Helaas, de oude mens leeft in mij, hij is nog niet geheel gekruisigd, niet volkomen dood. Hij staat nog krachtig op tegen de geest: hij voert nog inwendig strijd, en laat het rijk van mijn ziel geen rust.

Maar Gij, o Heer! Die heerschappij hebt over de zee, en het geweld van haar baren stilt, sta op, kom mij te hulp (2). Verstrooi de volkeren die oorlog zoeken (3), en verplet ze door uw kracht. Ik bid U, toon uw wonderwerken, en doe de macht van uw rechterarm uitschijnen (4); ik heb anders geen hoop noch toevlucht dan in U, mijn Heer en mijn God!

(1) 1 Joan. 2: 15 (2) Ps. 88: 10 (3) Ps. 67: 32 (4) Judith 9: 2

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee