Boek III Hoofdstuk 4 Men moet voor God wandelen in waarheid en ootmoed.

Christus. – Zoon! Wandel voor mij in waarheid, en zoek mij altijd in de eenvoud des harten. Die voor Mij in waarheid wandelt, zal bevrijd worden van kwade aanrandingen en de waarheid zal hem verlossen van verleiding en laster der bozen. Indien de waarheid u vrijmaakt, dan zult gij waarlijk vrij zijn (1), en gij zult de ijdele woorden der mensen niet achten.

De ziel. – Het is, Heer, gelijk Gij zegt: ik bid U, dat het mij zo geschiede. Dat uw waarheid mij lere, mij beware, en mij tot aan een zalig levenseinde behoude. Dat zij mij verlosse van alle kwade lusten en ongeregelde liefde, en ik zal met u omgaan in volle vrijheid des harten.

Christus. – Ik zal u onderwijzen, zegt de Waarheid, al wat recht is en aan Mij behaaglijk. Denk aan uw zonden met groot leedwezen en droefheid, en laat u nooit voorstaan dat gij iets zijt om uw goede werken. Want gij zijt voorwaar een zondaar, onderhevig aan vele gebreken, en daarin verward. Van uzelf helt gij altijd over tot het niet, gij valt licht en wordt overwonnen, het kleinste ontstelt u en beneemt u de moed. Gij hebt niets waarop gij kunt roemen, maar vele redenen om uzelf gering te achten: want gij zijt veel kranker dan gij kunt begrijpen.

Laat u dan niet voorstaan dat er iets groots zij in alles wat gij doet. Dat niets verheven zij in uw ogen, niets kostbaar, niets bewonderens- of achtingswaardig, niets uitstekend, niets loffelijk of beminnenswaardig, dan alleen wat eeuwig is. Dat de eeuwige waarheid u boven alles behage, en dat uw allergrootste nietswaardigheid u steeds mishage. Vrees niets zozeer, veracht en verafschuw niets zozeer als uw zonden en ondeugden; deze moeten u meer droefheid veroorzaken dan tijdelijke schade. Sommigen wandelen in geen oprechtheid voor mijn aanschijn; maar door nieuwsgierigheid en vermetelheid gedreven, willen zij mijn verborgenheden kennen en de diepten van God doorschouwen, terwijl zij zichzelf en hun zaligheid verwaarlozen. Dezen vallen dikwijls in zware bekoringen en zonden, wijl Ik hun wedersta om hun hovaardigheid en nieuwsgierigheid.

Vrees de oordelen Gods, schroom voor de gramschap van de Almogende. Wil de werken van de Allerhoogste niet beoordelen; maar onderzoek uw zonden, en zie in hoeveel gij misdaan hebt en hoeveel goeds gij verwaarloosd hebt. Sommigen stellen al hun godsvrucht in boeken; anderen in afbeeldingen, anderen in uitwendige tekens en gebaren. Sommigen hebben Mij veel in de mond, maar in hun hart is er weinig van. Anderen zijn er die, verlicht in hun verstand en zuiver van hart, niet haken dan naar het eeuwige: die tegen dank van het aardse horen spreken, en die de noodwendigheden van het lichaam met tegenzin voldoen; deze gevoelen dat de Geest der waarheid in hen spreekt. Want hij leert hun het aardse versmaden, en het hemelse beminnen, de wereld verachten, en naar de hemel dag en nacht verlangen.

(1) Joh. 8: 32,36

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)