Boek III Hoofdstuk 41 Over het verachten van alle tijdelijke eer

CHRISTUS. – Zoon! Bedroef er u niet om, als gij ziet dat anderen geerd en verheven worden, en gij veracht en vernederd. Hef uw hart tot Mij in de hemel, en gij zult u niet bedroeven wanneer gij op aarde door de mensen versmaad wordt.

DE ZIEL. – Heer! Wij zijn zeer verblind en worden licht misleid door de ijdelheid. Als ik mijzelf juist beoordeel, is mij nooit door enig schepsel ongelijk gedaan: diensvolgens heb ik geen billijke reden om van U te klagen. Want vermits ik dikwijls en zwaar gezondigd heb tegen U, zo is het recht en redelijk dat alle schepsel tegen mij opsta. Schande dus en smaad komt mij rechtvaardig toe; U, o Heer! Behoort lof, eer en roem. En indien ik mij niet bereid houd om door alle schepselen gaarne verlaten, veracht en voor volstrekt niets gerekend te worden, zo kan ik de inwendige vrede des harten niet bekomen, noch geestelijk verlicht worden en volkomen verenigd zijn met U.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)