Boek III Hoofdstuk 46 Dat men zijn vertrouwen op God moet stellen, als pijlen van boze tongen ons treffen

CHRISTUS. – Zoon, sta vast en hoop op mij. Wat zijn woorden anders dan woorden? Zij vliegen door de lucht, maar een steen doen ze geen kwaad. Indien gij u schuldig kent, denk om u te beteren; indien gij niet plichtig zijt, denk dat gij dit gaarne om God wilt lijden. Het is wel weinig genoeg, dat gij somtijds al enige onredelijke woorden verdraagt, gij die nog geen zware beproevingen kunt verduren. En waarom gaan zulke kleinigheden u ter harte, tenzij omdat gij nog zinnelijk en onverstorven zijt, en meer om de mensen bekommerd zijt dan het behoort? Want omdat gij vreest minacht te worden, daarom wilt gij niet berispt worden over uw gebreken, en zoekt die door verontschuldigingen te dekken.

Maar onderzoek u beter, en gij zult erkennen dat de wereld nog in u leeft, en de ijdele begeerte om aan mensen te behagen. Want als gij weigert vernederd te worden beschaamd gemaakt om uw gebreken, zo blijkt het genoeg, dat gij niet oprecht ootmoedig, niet oprecht aan de wereld afgestorven zijt, en dat de wereld voor u niet gekruisigd is (1). Luister maar naar mijn woord, en gij zult om honderd duizend woorden van mensen u niet bekommeren. Al ware het dat men alles tegen u inbracht wat de boosheid kan verzinnen, wat zou u dat hinderen, indien gij dit liet voorbijgaan, en niet meer achtte dan een niet? Zouden al die woorden u wel een haarpijl kunnen doen verliezen?

Maar hij die niet ingetogen van hart is en God niet voor ogen houdt, die wordt licht ontroerd door een smadelijk woord. Hij, integendeel, die op mij vertrouwt, en op zijn eigen oordeel niet steunt, zal zonder mensenvrees zijn. Want Ik ben de Oordeler en de Kenner van alle geheimen. Ik weet hoe alles geschied is, Ik ken die het ongelijk gedaan en die het geleden heeft. Het is door mijn bevel dat gij dit lijdt, en dit is geschied door mijn toelating: opdat de gedachten van alle harten openbaar gemaakt zouden worden (2). Ik zal de plichtige en de onschuldige oordelen, maar door mijn verborgen oordeel heb ik beiden eerst willen beproeven.

De getuigenis der mensen faalt dikwijls; mijn oordeel is waarachtig; het zal stand houden en niemand zal het omwerpen. Het is meestendeels verborgen en aan weinige mensen is alles bekend: doch nimmer dwaalt het, of kan het dwalen, hoewel het onrechtmatig schijnt voor de ogen der dwazen. Men moet dan in alle oordeel tot Mij zijn toevlucht nemen, en niet op eigen goeddunken steunen. Want de rechtvaardige zal niet ontroerd worden wat hem ook van Godswege overkomt (3). En als er iets ten onrechte van hem gezegd wordt, zal hij dit niet veel achten. Maar hij zal er zich ook niet lichtvaardig om verblijden, als hij door anderen op goede grond verontschuldigd wordt. Want hij denkt, dat Ik het ben die harten en nieren doorgrond (4), en dat ik niet oordeel naar de uitwendige schijn of het aanzicht der mensen. Wat de mensen loffelijk achten, wordt dikwijls strafvaardig bevonden in mijn ogen.

DE ZIEL. – O Heer, mijn God, rechtvaardige, machtige en lankmoedige rechter, die de boosheid en verdorvenheid van de mens kent, wees mijn kracht en mijn enig vertrouwen; want de getuigenis van mijn geweten is mij niet genoegzaam.

Gij weet dat ik niet weet, en daarom moet ik bij alle berispingen mij vernederen, en ze met zachtmoedigheid verdragen. Vergeef mij ook, o Heer! zo dikwijls ik anders gehandeld heb, en verleen mij de genade van voortaan zachtmoediger te zijn. Want uw overvloedige barmhartigheid is mij nuttiger om de vergiffenis van mijn zonden te verkrijgen, dan mijn ingebeelde rechtvaardigheid tot verdediging van mijn geweten. Al bevind ik mij nergens schuldig, nochtans ben ik daarom niet gerechtvaardigd (5): want zonder uw barmhartigheid, zal geen sterveling rechtvaardig zijn voor uw aanschijn (6).

(1) Gal. 6: 14 (2) Luc. 2: 35 (3) Prov. 12: 21 (4) ps. 7: 10 (5) 1 Kor. 4 (6) Ps. 142: 2

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)