Boek III Hoofdstuk 49 Over het verlangen naar het eeuwig leven, en hoe grote goederen beloofd zijn aan de strijders

CHRISTUS. – Zoon, als gij u de begeerte tot het eeuwig geluk van boven voelt ingestort, en gij de tent (1) van uw lichaam wenst te verlaten, zodat gij mijn klaarheid ten volle zonder enige schaduw van verandering (2) zoudt mogen aanschuwen, open dan hart, en ontvang die heilige ingeving met een groot verlangen. Dank grotelijks de opperste Goedheid, die zo barmhartig met u handelt, u zo genadig bezoekt, vurig opwekt en krachtig ondersteunt, opdat gij door eigen gewicht niet zoudt nederzinken tot het aardse. Want gij krijgt deze hemelse begeerte niet door eigen gedachten of pogingen, maar louter door de gunst van God, die een barmhartige oogslag op u werpt, opdat gij daardoor zoudt vooruitgaan in deugd en ootmoed, uzelf zoudt bereiden tot nieuwe worstelingen, en Mij aanhangen met al de begeerte van uw hart, en Mij dienen met vurige ijver.

Zoon, het vuur kan dikwijls gloeiend zijn, maar de vlam stijgt nooit op zonder rook. Zo branden ook de begeerten van sommigen tot het hemelse en nochtans zijn zij niet vrij van bekoringen der zinnelijke neiging. En al is het dat zij de hemelse dingen zo vurig aan God vragen, daarom geschiedt dit niet gans zuiver om zijn eer. En zodanig is ook dikwijls uw begeerte, die volgens uw zeggen zo dringend kon zijn. Want niets is zuiver en volmaakt, als het besmet is met eigenbaat.

Vraag niet wat u vermakelijk is en te pas komt, maar wat mij aangenaam is en verheerlijkt; want als gij rechtvaardig oordeelt, moet gij mijn beschikking boven uw begeerte en al wat gij kunt wensen, stellen en involgen. Ik weet wel wat gij meest begeert, en ik heb uw verzuchting dikwijls gehoord. Gij zoudt reeds in de heerlijke vrijheid der kinderen Gods willen zijn (3); reeds zoudt gij gaarne zijn in dat eeuwig huis, in het vreugdevolle hemels vaderland; maar het uur is nog niet gekomen; gij zijt nog in een andere tijd, tijd van strijd, arbeid en beproeving. Gij wenst vervuld te zijn met het Opperste Goed, maar dat kunt gij nog niet genieten.

Ik ben dat goed: verwacht Mij, zegt de Heer, totdat het rijk Gods kome (4).

Gij moet op aarde nog beproefd en in vele dingen geoefend worden. U zal intussen wat troost verleend worden, maar volkomen verzadiging zult gij nooit bekomen. Schep dus moed en wees kloek (5), zowel om te doen als om te lijden, wat aan de natuur strijdig is. Gij moet de nieuwe mens aantrekken (6) en een geheel ander man worden (7). Gij zult dikwijls moeten doen, wat u mishaagt van wat u aanstaat. Wat anderen gaarne hebben, zal gelukken: wat u behaagt, zal niet wel uitvallen.

Wat de anderen zeggen, zal aanhoord worden; wat gij zegt, zal voor niets geteld worden. De anderen zullen vragen en verkrijgen; gij zult vragen en niet bekomen.

Anderen zullen groot zijn in de mond der mensen, maar van u zal men zwijgen. Anderen zal men dit of dat opdragen; maar gij zult gerekend worden als nergens voor bekwaam. Om dergelijke dingen zal de natuur soms bedroefd zijn, maar gij zult een groot werk doen, indien gij dit zonder klagen verdraagt. In deze en meer dergelijke dingen wordt een getrouw dienaar des Heren gestadig beproefd, hoe ver hij zich verloochenen en in alles overwinnen kan. Bijna niets is er, waarin gij u zozeer moet versterven, als in het zien en lijden van wat uw wil tegenstaat, voornamelijk als u iets geboden wordt, wat u schijnt ongerijmd en zonder voordeel te wezen. En omdat gij onder eens anders gebied gesteld zijt, aan wiens overheid gij niet durft wederstaan, daarom schijnt het u hard te wezen, te gehoorzamen aan een anders wenken en uw eigen goeddunken in niets te volgen.

Maar overdenk, mijn zoon, de vrucht van al die moeiten, hun korte duur, en het overgrote loon dat zal volgen, dan zult gij er geen last in vinden, maar een machtige troost ter verduldigheid. Want voor die kleine wil, die gij nu gaarne afstaat, zult gij eeuwig uw wil hebben in de hemel. Daar zult gij vinden alles wat gij wilt, alles wat gij verlangen kunt. Daar zult gij in het volle bezit zijn van alle goed, zonder vrees het te verliezen. Daar zal uw wil, altijd verenigd met de mijne, niets zoeken buiten Mij, niets dat u eigen is. Daar zal niemand u weerstaan, niemand over u klagen, niemand u hinderen, niets zal u in de weg staan; maar alles, wat wenselijk is, zal tegelijk aanwezig zijn, en gans uw begeerte verzadigen en ten volle voldoen. Daar zal ik u grote eer geven voor geleden smaad: een eremantel voor zielerouw (8) en voor de laagste plaats, een verheven troon in het eeuwig rijk. Dan zal men de vrucht zien van de gehoorzaamheid, het leed der boetvaardigheid veranderd in blijdschap, en de ootmoedige onderwerping gekroond met eeuwige luister.

Daarom buig ik nu ootmoedig onder de hand van allen, niet lettende wie dit gezegd of geboden heeft. Maar neem wel acht, dat gij alles ten goede opneemt, en met een oprechte wil tracht te volbrengen wat uw overste, uw gelijke, of een jongere van u verzoekt of te kennen geeft. Laat de ene dit, een andere dat zoeken; laat deze hierin, gene daarin roem vinden, en er duizendmaal om geprezen worden: wat u aangaat, verblijd u noch in t ene noch in t andere, maar verheug u alleen in uw versmaadheid, in mijn welbehagen en mijn eer. Wat gij met Paulus moet wensen is, dat God altijd in u verheerlijkt worde, hetzij door uw leven, hetzij door uw sterven (9).

(1) 2 Petr. 1: 13 (2) Jac. 1: 17 (3) Rom. 8: 21 (4) Luc. 22: 18 (5) Jos. 1: 7 (6) Ef. 4: 24 (7) 1 Kon. 10: 6 (8) Is. 71: 3 (Fil. 1: 20)

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)