Boek III Hoofdstuk 5 Over de wonderbare invloed van de liefde Gods.

Ik zegen U, hemelse Vader, Vader van mijn Heer Jezus Christus, omdat Gij U gewaardigd hebt mij, arm schepsel, te gedenken. O vader van barmhartigheden, en God van alle troost (1), ik dank U, omdat Gij mij, die alle troost onwaardig ben, somtijds toch gewaardigt te vertroosten. Ik geloof en verheerlijk U te allen tijde, met uw enige Zoon en de H. Geest, de Trooster, in alle eeuwen der eeuwen. Ach, mijn Heer en God, mijn heilige Minnaar! Als Gij in mijn hart zult komen, zal geheel mijn binnenste juichen. Want Gij zijt mijn glorie en de vreugde van mijn hart. Gij zijt mijn hoop en mijn toevlucht in de dag van mijn verdrukking (2).

Maar omdat ik nog zwak ben in de liefde en onvolmaakt in de deugd, daarom heb ik nodig door U gesterkt en getroost te worden; wil mij dikwijls bezoeken en onderwijs mij in uw heilige leringen. Verlos mij van de kwade driften, en genees mijn hart van alle ongeregelde liefde; opdat ik genezen en behoorlijk gezuiverd, bekwaam worde om U te beminnen, kloek om voor U te lijden, standvastig om te volharden.

De liefde is iets groots, ja een onschatbaar goed, welke alles licht maakt wat zwaar is, en draagt algelijk al het ongelijke. Want zij draagt alle last zonder moeite, en maakt al wat bitter is, zoet en smakelijk. De liefde van Jezus is edelmoedig; zij beweegt de mens tot grote daden, zij wekt hem op om altoos meer volmaaktheid te betrachten. De liefde wil altijd opwaarts klimmen, en door niets wederhouden worden. De liefde wil niet vrij zijn, en vreemd aan alle wereldse genegenheden, opdat haar inwendige blik niet belemmerd worde; opdat zij in geen tijdelijk voordeel verwarre, of onder nadeel bezwijke. Er is niets zoeter dan de liefde, niets is sterker, niets is verhevener, niets uitgebreider, niets vermakelijker, niets volkomener, niets beter in hemel en op aarde; want de liefde is uit God geboren, en kan nergens rusten dan in God alleen boven al het geschapene.

Die de liefde bezit, vliegt, loopt en is blijde; hij is vrij en wordt niet weerhouden. Hij geeft alles voor alles, en bezit alles in alles, want hij berust boven alles in de Allerhoogste, uit wie alle goed vloeit en voortkomt. Hij ziet niet naar de gaven, maar verheft zich, boven alle gaven, tot de Gever zelf. De liefde houdt dikwijls geen maat, maar gelijk ziedend water loopt zij over bovenmate. De liefde voelt geen last, acht geen arbeid, wil meer doen dan zij kan, klaagt niet van haar machteloosheid, want zij meent dat zij alles kan en vermag. Zij is dan bekwaam tot alles, en brengt veel ten uitvoer en tot stand, waar een ander, die niet bemint te kort schiet en bezwijkt.

De liefde waakt en in de slaap is zij niet slaperig. Afgemat, wordt zij niet moede; bedreigd, wordt zij niet ontsteld; maar als een heldere vlam, als een brandende fakkel breekt zij opwaarts uit, en dringt vrijelijk door. Die bemint, kent de stem der liefde. Als een luid geroep in Gods oren is de brandende begeerte van een beminnende ziel, die zegt: Mij God, mijn liefde! Gij geheel aan mij, en ik geheel aan U !

Breid mij uit in de liefde, opdat ik in het binnenste van mijn hart lere smaken hoe zoet het is te beminnen, in liefde te smelten, en er in te baden. Dat de liefde mij vasthoude en vervoere door de vurigheid van haar verrukkingen! Moge ik het lied der liefde zingen; U, mijn Beminde, naar den hoge volgen, en dat mijn ziel bezwijme onder het verkondigen van uw lof. Moge ik U beminnen meer dan mijzelf, en mijzelf niet dan om U, en in U allen die U oprecht liefhebben, gelijk de wet der liefde, die uit U voortkomt, het gebiedt.

De liefde is snel, oprecht, toegenegen, vrolijk en aangedaan; kloekmoedig, verduldig, getrouw, voorzichtig, verdraagzaam, standvastig en ze zoekt zichzelf niet (3). Want zohaast iemand zichzelf zoekt, houdt hij op te beminnen. De liefde is oplettend, ootmoedig, rechtzinnig; niet maf, niet lichtvaardig, niet bekommerd met ijdele dingen; zij is matig, kuis, gestadig, bedaard, altijd waakzaam op alle zinnen. De liefde is onderworpen en gehoorzaam aan de oversten; in eigen ogen slecht en verachtelijk; zij is godvruchtig en dankbaar tot God, op Hem hopende en steeds vertrouwende, zelfs dan, wanneer zij in God geen smaak gevoelt, want men leeft niet zonder smart in de liefde.

Wie niet bereid is om alles te lijden en zich geheel aan de wil van zijn Beminde over te geven, is niet waardig een minnaar genoemd te worden. Een ware minnaar moet al het zware en bittere voor zijn Beminde gaarne verdragen; en om geen voorkomende tegenkanting van Hem afwijken.

(1) 2 Cor. 1: 3 (2) Ps. 58: 17 (3) 1 Cor. 13: 4,5

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee