Boek III Hoofdstuk 52 De mens achte zich geen troost, maar eer straf waardig

DE ZIEL. Heer, ik ben uw zoete troost of enig geestelijk bezoek onwaardig: en daarom, als Gij mij arm en ongetroost laat, handelt Gij billijk met mij. Want al kon ik een zee van tranen storten, evenwel zou ik uw vertroosting niet waardig zijn. Ik ben dan niets waardig tenzij gegeseld en gestraft te worden: daar ik U dikwijls en grotelijks beledigd en in vele dingen grotelijks misdaan heb. Daarom, als ik alles wel overweeg, zo verdien ik niet de minste troost. Maar Gij, o goedertieren en genadige God, die niet wilt dat uw werken verloren gaan (1), om de rijkdommen van uw goedheid te tonen over de vaten der barmhartigheid (2), Gij gewaardigt uw dienaar, zonder enige verdienste, te troosten en boven s mensen vermogen. Want uw vertroostingen zijn niet gelijk de troostredenen der mensen.

Heer! hoe heb ik verdiend, dat Gij mij enige troost zoudt verlenen? Ik herinner mij niet iets goed gedaan te hebben; maar wel dat ik altijd zeer geneigd ben geweest tot het kwaad, en traag ter verbetering. Dit is waarheid, en ik kan het niet loochenen; sprak ik anders, Gij zoudt tegen mij opstaan, en niemand zou mij verdedigen. Wat heb ik toch anders verdiend door mijn zonden, tenzij de hel en het eeuwig vuur? Ik beken in waarheid, dat ik alle spot en smaad waardig ben, en niet verdien gerekend te worden onder het getal van uw dienaren. En ofschoon ik dit ongaarne hoor, zal ik nochtans volgens de waarheid tegen mij getuigen en mijn zonden belijden, opdat ik eerder van U genade verwerve.

Wat zal ik zeggen, die een plichtige ben en vol van schaamte? Ik weet mijn mond niet te openen tenzij om alleen deze woorden te spreken: Ik heb gezondigd, Heer, ik heb gezondigd; wees mij genadig, en vergeef mij… Laat mij toch een luttel tijds mijn zonden bewenen, eer ik ga naar het land der duisternissen, overdekt met de schaduwen van de dood (3). Wat begeert Gij meer van een plichtige en ellendige zondaar, dan dat hij berouw hebbe en zich vernedere om zijn misdaden? Door het waarachtig berouw en de vernedering des harten, wordt de hoop op vergiffenis geboren, het verontrust geweten bevredigd, de verloren genade terug verkregen, de mens beschermd tegen de toekomstige gramschap; en de boetvaardige ziel wordt met God verzoend door een heilige omhelzing.

O Heer, een ootmoedig berouw over de zonde is U een welbehagelijk offer, dat veel aangenamer voor u riekt dan de wierook. Het is ook de kostelijke balsem, die Gij over uw heilige voeten hebt laten uitstorten (4), want een rouwmoedig en vermorzeld hart hebt Gij nooit verstoten (5). Daar is de schuilplaats tegen de razernij van onze vijanden. Daar wordt verbeterd en afgewassen al wat elders gekrenkt of besmet is.

(1) 2 Kon. 14: 14 (3) Rom. 9: 23 (3) Job 10: 21,22 (4) Luc. 7: 28 (5) Ps. 50: 19

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)