Boek III Hoofdstuk 59 Dat men al zijn hoop en betrouwen op God alleen moet vestigen

DE ZIEL. – Heer, wat is mijn vertrouwen hier in dit leven, of wat is mijn grootste troost onder al wat er op aarde is? Zijt Gij het niet, mijn God, wiens barmhartigheid oneindig is? Wanneer is het met mij wl geweest zonder U? Of waar heeft het kunnen kwalijk gaan met mij, als Gij bij mij waart? Liever ben ik arm om uwentwil, dan rijk zonder U. Ik heb liever met U als een vreemdeling op aarde te leven, dan zonder U de hemel te bezitten.. Waar Gij zijt in de hemel, en daar, waar Gij niet zijt, is de dood en de hel. Gij zijt al mijn verlangen, en daarom moet ik zonder ophouden naar U roepen, zuchten en bidden. Ik kan op niemand volkomen mijn vertrouwen stellen dan op U, noch in mijn nood hulp verhopen dan van U alleen, o mijn God. Gij zijt mijn hoop, mijn vertrouwen, en mijn trouwste vriend in alles.

Alle mensen zoeken hun eigen voordeel (1); Gij zoekt alleen mijn zaligheid en mijn volmaking en Gij keert mij alles ten goede (2). Zelfs dan, wanneer Gij mij vele bekoringen en wederwaardigheden laat overkomen, schikt Gij dit alles tot mijn voordeel, want Gij beproeft uw uitverkorenen op duizend wijzen. En ik moet U in deze beproeving niet minder beminnen en loven, dan indien Gij mij gans vervulde met hemelse vertroostingen.

Op U dan, o Heer! stel ik al mijn hoop, tot U neem ik al mijn toevlucht; aan U laat ik al mijn kommer en angst over; wijl ik zie, dat alles machteloos en ongestadig is, wat buiten U is. Vele vrienden kunnen mij niet baten, noch kloeke voorstanders mij helpen, wijze raadgevers zullen mij niet nuttig zijn, geleerde boeken zullen mij niet vertroosten, noch enig kostbaar goed mij vrijkopen, geen verborgen of verkwikkende plaats mij bevrijden, tenzij Gij zelf mij bijstaat, helpt, versterkt, vertroost, onderricht en bewaart.

Want alles, wat tot vrede en geluk schijnt te strekken, is niets, als Gij bij ons niet zijt, noch ons kan helpen tot het ware geluk. Gij zijt dan het einde van alle goed, de volheid van het leven, de bron van alle wijsheid; en op U bovenal te vertrouwen, is de oprechte vertroosting van uw dienaren. Tot U zijn mijn ogen verheven, op U vertrouw ik, mijn God, Vader der barmhartigheden! Zegen en heilig mijn ziel met de hemelse zegen, opdat zij uw heilige woning, de troon van uw eeuwige glorie worde; en opdat er in die tempel van uw goedheid niets gevonden worde, dat de ogen uw van Majesteit kan mishagen. Werp een oogslag op mij volgens de omvang van uw goedheid, en de menigte van uw barmhartigheden (3) en verhoor het gebed van uw arme dienaar, die zo ver van U in het land van de duisternis en de dood in ballingschap omdoolt (4). Bescherm en bewaar mijn ziel tussen al de gevaren van dit vergankelijk leven; geleid mij door uw genade langs de weg van vrede naar het vaderland der euwige heerlijkheid. Amen.

(1) Phil. 2: 21 (2) Rom. 8: 28 (3) Ps. 68: 17 (4) Is. 9: 2

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)