Boek III Hoofdstuk 6 Hoe de oprechte liefde getoetst wordt.

CHRISTUS. – Zoon! gij zijt nog niet sterk en voorzichtig in t beminnen.

DE ZIEL. – Waarom, Heer?

CHRISTUS. – Omdat gij om een kleine tegenkanting afziet van het ondernomene en al te zeer de vertroostingen zoekt. Wie sterk is in de liefde, staat pal in de bekoringen, en hij geeft geen gehoor aan de listige ingevingen van de vijand. Zowel in voorspoed als in tegenspoed is zijn hart altoos aan Mij.

Een voorzichtig minnaar neemt niet zozeer de gift van de vriend in aandacht als de liefde van de Gever. Hij let meer op de stemming dan op de waarde; want hij acht de Welbeminde hoger dan al zijn giften. Een edelmoedig minnaar berust niet in gaven maar in Mij boven alle gaven. Doch daarom is niet alles verloren, zo gij soms voor Mij en mijn Heiligen zoveel liefde en tederheid niet gevoelt, als gij zoudt wensen. Die zoete en tedere liefde, die gij somtijds in u gevoelt, is een uitwerksel der in u werkende genade en als een voorsmaak van het hemels vaderland, doch waarop niet al te veel te steunen is, want zij gaat en komt. Maar strijden tegen de invallende bekoringen, en de ingevingen van de duivel versmaden, dit is een teken van ware deugd en grote verdienste.

Wil dan niet ontsteld zijn om vreemde verbeeldingen die in u mochten ontstaan, over welke stof ook. Behoud altijd een vast voornemen en een rechte mening tot God. Het is geen begoocheling zo gij somtijds plotseling in verrukking wordt opgetogen, en terstond tot de gewone ongerijmdheden van uw hart terugkeert. Want deze lijdt gij meer tegen uw dank dan gij ze zoekt; en zolang ze u mishagen en gij er tegen strijdt, strekken zij u tot verdienste en geenszins tot verderf.

Weet dat de oude vijand uit al zijn macht uw begeerte tot het goede zoekt te beletten, en u te beroven van alle godvruchtige oefening: te weten, van de dienst der Heiligen, het godvruchtig overdenken van uw zonden, de bewaking van uw hart, en het vast voornemen om in de deugd vooruit te gaan. Hij geeft u ook veel kwade gedachten in, om u verdriet en afkeer aan te doen, en u af te trekken van het gebed en de geestelijke lezing. Een ootmoedige biecht kan hij niet dulden en zo hij kon, zou hij u wederhouden van te communie te gaan.

Maar geef hem geen geloof, en stoor u niet aan hem, al spant hij dikwijls strikken om u te bedriegen. Werp de kwade en onzuivere ingevingen op hem terug, en zeg: Weg van hier, onreine geest! Schaam u, ellendige: wat moet gij onzuiver zijn, die mij zulke dingen inblaast. Weg van mij, boze verleider! Niets van mij zal u ten deel vallen; maar Jezus zal met mij zijn, als een kloek krijgsman, en gij zult beschaamd staan. Liever wil ik sterven, en alle pijn ondergaan, dan enige toestemming te geven aan uw boos ingeven. Zwijg en verstom (1), ik wil naar u niet meer luisteren, hoezeer gij mij moogt kwellen. De Heer is mijn licht en mijn zaligheid, wie zou ik vrezen? (2) Al stonden gehele legers tegen mij op, mijn hart zou niet vrezen (3). De Heer is mijn Helper en mijn Verlosser (4).

Strijd dan als een kloek soldaat; en indien gij soms uit krankheid valt, verzamel opnieuw uw krachten, vertrouwend dat gij grotere genaden van mij zult bekomen; en wacht u bovenal voor hovaardigheid en ijdel zelfbehagen. Want hierdoor worden velen bedrogen, en vallen soms in schier ongeneeslijke verblindheid. Dat dan de val der hovaardigen, die zich dwaas veel laten voorstaan, u diene tot waarschuwing en gedurige ootmoed.

(1) Marc. 4 (2,3) Ps. 26: 1 (4) Ps. 18: 15

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee