Boek IV Hoofdstuk 1 Met hoeveel eerbied Christus moet worden ontvangen

Komt allen tot Mij die uitgeput onder lasten gebukt gaat; en Ik zal u rust en verkwikking geven, zegt de Heer (Mt. 11 : 28).

Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld (Joh. 6 : 52).

Neemt en eet: dit is mijn Lichaam, dat voor u wordt overgeleverd, doet dit tot gedachtenis aan Mij (Lc. 22 : 19; 1 Kor. 11 : 24).

Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem (Joh. 6 : 56).

De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven (Joh. 6 : 64).

Dit zijn Jezus, eeuwige Waarheid, uw woorden, ofschoon niet op n tijd gesproken of op n plaats geschreven.

Omdat zij dus de uwe zijn en waar, moet ik ze alle dankbaar en gelovig aanvaarden.

Het zijn de uwe, omdat Gij ze hebt gezegd; en het zijn ook de mijne, omdat Gij ze hebt uitgesproken tot mijn welzijn.

Graag neem ik ze aan uit uw mond, opdat ze dieper in mijn hart gevestigd worden.

Woorden zo vol genegenheid, tederheid en liefde wekken mij op; maar mijn eigen wandaden schrikken mij af en mijn onrein geweten houdt mij terug om tot zulke grote geheimen te naderen.

De beminnelijkheid van uw woorden nodigt mij uit, maar de menigte van mijn gebreken bezwaart mij.

Gij beveelt mij met vertrouwen tot U te naderen, als ik deel wil hebben met U, en het voedsel van de onsterfelijkheid te nemen, als ik het eeuwig leven en de heerlijkheid wil verkrijgen.

Komt allen tot Mij zo zegt Gij, `die uitgeput onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven (Mt. 11 : 28).

Wat een vriendelijk en beminnelijk woord in het oor van een zondaar: dat Gij, Heer mijn God, een arme en behoeftige uitnodigt tot deelneming aan uw allerheiligst Lichaam.

Maar wie ben ik, Heer, dat ik mij aanmatig tot U te naderen?

Zie, de hemelen der hemelen kunnen U niet bevatten en Gij zegt: Komt allen tot Mij?

Wat betekent toch die allervriendelijkste toenadering en deze zo vriendschappelijke uitnodiging?

Hoe zal ik het durven wagen te komen, ik die mij niets goeds bewust ben waarom ik dit zou mogen ondernemen?

Hoe zal ik U binnenvoeren in mijn huis, ik die u dikwijls zulke beledigingen naar het hoofd heb geslingerd?

Engelen en aartsengelen eren U, heiligen en rechtvaardigen vrezen U en Gij zegt: Komt allen tot Mij?

Heer, als Gij het niet waart die dit zegt, wie zou geloven dat het waar is?

En als het niet uw uitdrukkelijke wil was, wie zou wagen te naderen?

Noach, een rechtvaardig man, werkte honderd jaar aan de bouw van een ark om met weinigen gered te worden.

En hoe kan ik mij dan in n uur voorbereiden om de Maker van de wereld met eerbied in mij te ontvangen?

Mozes, uw grote dienaar en bijzondere vriend, maakte een koffer van onverslijtbaar hout, overtrok die met zeer zuiver goud om daarin de tafelen der wet neer te leggen.

En ik, verdorven wezen, zal het aandurven U, de Ontwerper van de wet en de Schenker van het leven, zo maar bij mij te ontvangen?

Salomo, in wijsheid de uitmuntendste van Israls koningen, bouwde zeven jaar aan een prachtige tempel ter ere van uw naam en vierde acht dagen lang het feest van zijn inwijding.

Duizend vredeoffers droeg hij op en hij plaatste de ark van het verbond onder het schallen van de bazuinen en onder plechtig gejubel op de plaats die hij voor haar had gereed gemaakt.

En ik, ongelukkige, de armste van de mensen, hoe zal ik U binnenvoeren in mijn huis, ik die nauwelijks een half uur in godsvrucht weet door te brengen? En kon ik maar eens n keer een half uur innig daaraan besteden.

O mijn God, hoeveel hebben zij proberen te doen om U maar te behagen.

Ocharm! hoe onnozel is het wat ik doe, hoe weinig tijd maak ik vol, als ik mij tot de heilige communie voorbereid.

Zelden ben ik totaal innerlijk gericht, hoogst zeldzame ogenblikken vrij van alle verstrooiing.

En natuurlijk behoorde in uw heilvolle goddelijke aanwezigheid geen enkele minder passende gedachte bij mij op te komen, geen enkel geschapen wezen mij bezig te houden; want ik sta op het punt niet een engel, maar de Heer der engelen bij mij als gast te ontvangen.

Toch is er een zeer groot verschil tussen de ark van het Verbond met haar heilige gedenkstukken en uw allerheiligst Lichaam met zijn onzegbare volmaaktheden.

Tussen die offers van de wet, voorafbeeldingen van wat eens zou komen, en het ware offer van uw Lichaam, de vervulling van alle vroegere offers.

Waarom ontgloei ik dan niet meer bij uw vererenswaardige Aanwezigheid?

Waarom bereid ik mij niet met meer zorg voor om uw heilige geheimen tot mij te nemen, als die vroegere heilige aartsvaders en profeten, koningen zelfs en aanvoerders met heel het volk zoveel gevoel van godsvrucht jegens de goddelijke eredienst aan de dag legden?

De zeer vrome koning David danste met volle overgave voor de ark van God ter viering van de gedachtenis aan al de weldaden de vaderen weleer bewezen.

Hij deed allerlei muziekinstrumenten vervaardigen, dichtte liederen en liet die tot uiting van de blijdschap zingen; hijzelf zong die dikwijls bij zijn spel op de harp, gedreven door de bezieling van de heilige Geest.

Hij leerde het volk van Isral met heel zijn hart God te loven en dagelijks met eenstemmigheid God te zegenen en te prijzen.

Als er toen zon grote godsvrucht leefde en de lof van God vr de ark van het Verbond werd vermeld.

Hoeveel eerbied en godsvrucht behoort dan mij en het hele christelijk volk te bezielen in tegenwoordigheid van het Sacrament en bij de nuttiging van het allerverhevenste Lichaam van Christus.

Velen reizen naar verschillende plaatsen om de relieken van heiligen te gaan bezoeken en zijn opgetogen bij het horen van hun daden; zij bewonderen de geweldige basilieken en kussen hun in zijde en goud gewikkeld gebeente.

Zie, Gij zijt hier voor mij op het altaar, Gij, mijn God, de Heilige der heiligen, de Schepper van het mensdom en de Heer der engelen.

Bij het zien van dat alles speelt de menselijke nieuwsgierigheid dikwijls een rol en ook het nieuwe van wat men nog nooit heeft gezien; de vrucht van levensverbetering die men meeneemt is gering, vooral als die reizen zo licht en zonder diepere bezinning worden ondernomen.

Hier echter is in het Sacrament van het altaar mijn God en mens, Christus Jezus, geheel tegenwoordig; hier wordt ook overvloedig de vrucht van het eeuwig heil binnengehaald, zo dikwijls men U waardig en godvruchtig tot zich neemt.

Hierheen voert echter niet een of andere lichtzinnigheid, nieuwsgierigheid of zinnelijke neiging, maar wel het vast geloof, een hoop vol overgave en oprecht gemeende liefde.

O onzichtbare Schepper der wereld, God, hoe wonderbaar handelt Gij met ons; hoe voorzichtig en welwillend gaat Gij om met uw bevoorrechten, aan wie Gij Uzelf in het Sacrament ter nuttiging aanbiedt.

Dit gaat immers alle begrip te boven: dit trekt op bijzondere wijze de harten der vromen aan en zet hun liefde in vlam.

Want uw ware gelovigen die heel hun leven op verbetering richten, ontvangen door dit allerwaardigst Sacrament dikwijls overvloedig de gave van godsvrucht en liefde voor de deugd.

O bewonderenswaardige en verborgen genade van dit Sacrament, alleen gekend door Christus gelovigen; de ongelovigen echter en zij die de zonde dienen kunnen dit niet ervaren.

In dit Sacrament wordt geestelijke genade meegedeeld, de verloren deugd innerlijk hersteld en keert de schoonheid terug die door de zonde was ontluisterd.

Z groot is soms deze genade, dat door de overvloedige gave van godsvrucht niet alleen de geest maar ook het zwakke lichaam voelt, dat het ruimere krachten krijgt.

Wel is het bedroevend en zeer te betreuren dat wij zo lauw en zo nalatig zijn; dat wij niet met groter liefde tot het ontvangen van Jezus Christus worden aangetrokken; op Hem toch steunen de hoop en de verdienste van hen die zalig zullen worden.

Hij is immers onze heiligmaking en verlossing, Hijzelf de troost van hen die onderweg zijn, en het eeuwig geluk der heiligen.

Het is daarom zeer te betreuren dat velen zo weinig aandacht schenken aan dit heilzaam geheim, dat de hemel verblijdt en de hele wereld in stand houdt.

Wat is het menselijk hart helaas verblind en onverschillig, dat het niet meer aandacht heeft voor deze onuitsprekelijke gave en zelfs door de dagelijkse omgang tot onachtzaamheid vervalt.

Stel dat dit sacrament op niet meer dan n plaats werd gevierd en door niet meer dan n priester ter wereld werd geconsacreerd,

Bedenk hoe de mensen dan vol verlangen zouden zijn naar die plaats en naar die priester, om de goddelijke geheimen te zien vieren.

Nu zijn er vele priesters gewijd en op vele plaatsen wordt Christus opgedragen, opdat Gods goedgunstigheid en liefde voor de mens des te groter zouden blijken naarmate de heilige communie over de aarde meer verspreid zou zijn.

Dank aan U, goede Jezus, eeuwige Herder, omdat Gij U gewaardigt ons arme ballingen met uw kostbaar Lichaam en Bloed te verkwikken en met uw persoonlijke woorden ons uitnodigt tot het ontvangen van deze mysterin als Gij zegt: Komt tot Mij gij allen die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven (Mt. 11 : 28).

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)