Boek IV Hoofdstuk 15 De gave van godsvrucht wordt door nederigheid en de verloochening van het eigen ik verkregen

De Heer: Men moet de gave van godsvrucht met ijver zoeken, er met verlangen om bidden, geduldig en vertrouwvol verwachten; ze dankbaar aannemen, nederig bewaren, ijverig daarmee werken en dan God het einde en de wijze van zijn verheven bezoeking overlaten totdat Hij komt.

Gij behoort u vooral te vernederen, als gij innerlijk weinig of geen godsvrucht voelt, maar niet te zeer ontmoedigd te zijn of u er onmatig over te bedroeven.

God geeft dikwijls in een kort ogenblik wat Hij gedurende lange tijd heeft geweigerd; Hij geeft soms op het einde wat Hij in het begin van het gebed uitstelde te geven.

Als de genade steeds snel zou worden gegeven en naar wens aanwezig was, zou dit voor een zwak mens moeilijk zijn te dragen.

Daarom moet men de gave van godsvrucht in goed vertrouwen en met nederig geduld afwachten. Wijt het echter aan uzelf en aan uw zonden, als gij ze niet ontvangt of als zij u op geheime wijze wordt ontnomen.

Soms is het een nietigheid die de genade tegenhoudt of verbergt, als men tenminste over een nietigheid spreken kan en niet eerder over een gewichtige zaak die een zo groot goed tegenhoudt.

En als gij dit nietige of gewichtige beletsel zult hebben weggenomen en volmaakt overwonnen, dan zal gebeuren wat gij verlangd hebt.

Want onmiddellijk nadat gij u geheel aan God zult hebben overgegeven en niet dit of dat volgens uw keus of welbehagen hebt gezocht, maar u onvoorwaardelijk aan Hem hebt gegeven, zult gij de eenheid en de vrede vinden. Want niets zal u zoveel voldoening brengen en aangenaam zijn als het welbehagen van de goddelijke wil.

Wie dus zijn bedoeling eenvoudig naar boven, op God heeft gericht en zich van iedere ongeregelde liefde of tegenzin voor een of ander schepsel heeft vrijgemaakt, zal zeer geschikt zijn om de genade te ontvangen en de gave der godsvrucht waardig zijn.

Want de Heer geeft daar zijn zegen waar Hij lege vaten vindt.

En hoe volkomener iemand aan het lagere verzaakt en meer aan zichzelf sterft door zelfverachting, des te sneller komt de genade, des te overvloediger treedt zij binnen, des te hoger verheft zij het hart dat vrij is.

Dan zal hij zien en overvloed hebben, en zich verwonderen en zijn hart zal verruimd worden (Jes. 60 : 5) in hem; want de hand des Heren is met hem en zelf heeft hij zich volstrekt in zijn handen overgegeven tot in eeuwigheid.

Zie, zo zal de mens worden gezegend (Ps.127 : 4) die God zoekt met heel zijn hart en die zijn ziel niet tevergeefs ontvangt.

Hier bij het ontvangen van de heilige Eucharistie verkrijgt hij de grote gunst van de goddelijke vereniging; want hij heeft geen aandacht voor eigen godsvrucht en vertroosting, maar boven alle godsvrucht en vertroosting staat voor hem Gods eer en glorie.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee