Boek IV Hoofdstuk 2 Grote goedheid en liefde van God wordt de mens in het Sacrament bewezen

De gelovige: Heer, vertrouwend op uw goedheid en grote barmhartigheid, kom ik bij U als een zieke bij de arts, als een hongerige en dorstige bij de bron van het leven, als een arme bij de Koning van de hemel; als de dienaar bij zijn Heer, als het schepsel bij de Schepper, als de troosteloze bij zijn goede Vertrooster.

Maar hoe bestaat het dat Gij tot mij komt?

Wie ben ik dat Gij uzelf aan mij geeft?

Hoe durft een zondig mens voor U te verschijnen en hoe kunt Gij het over U verkrijgen naar een zondig mens toe te komen?

Gij kent uw dienaar, Gij weet dat hij niets goeds in zich heeft op grond waarvan Gij dit voor hem zoudt doen.

Ik beken dus mijn minderwaardigheid, ik erken uw goedheid, ik loof uw liefde en ik dank U om uw al te grote genegenheid.

Gij doet dat omdat Gij zo zijt, niet om mijn verdiensten; om uw goedheid meer te doen kennen, zodat ik tot meer liefde zou komen en op volmaakter wijze de nederigheid mij zou worden aanbevolen.

Omdat het U aldus behaaglijk is en Gij gewild hebt dat het zo zou geschieden, daarom is uw neerbuiging ook mij aangenaam; mocht mijn ongerechtigheid voor U geen beletsel zijn.

O allerbeminnelijkste en liefdevolle Jezus, hoeveel eerbied, dankbetuiging en eeuwige lof ben ik U niet verschuldigd voor het ontvangen van uw heilig Lichaam: geen mens ter wereld kan de verhevenheid daarvan verklaren.

Maar wat zal mijn gedachte zijn bij deze communie, bij het naderen tot mijn Heer die ik niet op de verschuldigde wijze eren kan en toch devoot tot mij wens te nemen?

Wat zal ik beter en heilzamer denken dan dat ik mij volstrekt voor U verneder en uw oneindige goedheid hoog boven mijzelf vereer?

Ik loof U, mijn God, en ik prijs U in eeuwigheid. Ik minacht mijzelf en onderwerp mij aan U in de diepte van mijn nietswaardigheid.

Zie, Gij zijt de Heilige der Heiligen en ik ben het uitvaagsel van de zondige mensheid.

Gij buigt U naar mij die niet waardig ben tot U op te zien.

Zie, Gij komt tot mij, Gij wilt met mij zijn, Gij nodigt mij uit om maaltijd met U te houden.

Gij wilt mij de hemelse spijs en het brood der engelen (Ps. 78 : 25) te eten geven, geen ander dan Uzelf, het levend brood, dat uit de hemel is neergedaald en leven geeft aan de wereld (Joh. 6 : 33, 51, 52).

Ziedaar waar de liefde uit voortkomt, hoe de liefde in het licht verschijnt. Wat zijn wij U grote dankbetuigingen en lofprijzingen voor dit alles verschuldigd.

Hoe gezegend en nuttig was uw besluit toen Gij dit hebt ingesteld. Hoe beminnelijk en uitnodigend het gezamenlijk maal, toen Gij Uzelf als spijs hebt gegeven.

Hoe wonderbaar is uw werking, Heer, hoe vermogend uw kracht, niet onder woorden te brengen uw waarheid.

Gij hebt gesproken en alles is geworden en ook dit is geschied, omdat Gij zelf het hebt bevolen.

Het is een wonderlijke zaak, alle geloof waardig, maar het gaat het menselijk verstand te boven, dat Gij, Heer, mijn God, waarlijk God en mens, binnen de geringe gedaante van brood en wijn wordt begrensd en zonder te worden verteerd door hem die eet wordt genuttigd.

Gij, Heer van het heelal die niemand behoeft, hebt door dit Sacrament onder ons willen wonen.

Bewaar mijn hart en mijn lichaam rein, opdat ik met een blij en zuiver geweten dikwijls uw mysterin mag vieren en tot mijn eeuwig heil ontvangen. Gij hebt die vooral tot uw eer en tot een eeuwige gedachtenis gewild en ingesteld.

Verheug u dan, mijn diepste wezen, en dank de Heer voor zulk een verheven geschenk en bijzondere troost, die Hij u in dit tranendal heeft gelaten.

Want zo dikwijls gij dit geheim herdenkt en Christus Lichaam ontvangt, even zo dikwijls voltrekt gij het werk van uw verlossing, want gij wordt deelachtig aan de verdiensten van Christus.

De liefde van Christus immers vermindert nooit en de omvang van zijn verzoeningswerk is onuitputtelijk.

Daarom behoort gij u altijd weer met vernieuwing van geest hierop voor te bereiden en het grote mysterie van uw heil met aandachtige beschouwing te overwegen.

Het moet u daarom groot, nieuw en verrukkelijk voorkomen als gij celebreert of de mis hoort; alsof diezelfde dag Christus voor het eerst neerdalend in de schoot der Maagd, mens werd of aan het kruis hangend, voor het heil der mensen leed en stierf.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee