Boek IV Hoofdstuk 4 Veel gaven worden gegeven aan wie godvruchtig communiceren

De gelovige. Heer mijn God, voorkom uw dienaar met de zegeningen van uw mildheid, dat ik tot uw heilig sacrament waardig en godvruchtig mag naderen.

Wek mijn hart op tot U en ontdoe mij van mijn zware loomheid. Bezoek mij met uw heil (Ps. 106 : 4.) om in de geest uw goedheid te proeven die in dit Sacrament als in een bron overvloedig verborgen is.

Verlicht ook mijn ogen om zulk een groot geheim te kunnen beschouwen en versterk mij om het met onwankelbaar geloof aan te nemen.

Want dit is uw werking en geen menselijke kracht; het is uw heilige instelling en geen uitvinding van mensen.

Niemand is uit zichzelf immers bekwaam om dit te vatten en datgene te verstaan wat zelfs het scherpe verstand der engelen te boven gaat.

Wat zou ik dan, onwaardig zondig mens, stof en as, over dit heilig geheim kunnen onderzoeken en achterhalen?

Heer, in de eenvoud van mijn hart, in een waar en sterk geloof en op uw bevel nader ik tot U met vertrouwen en eerbied. In waarheid geloof ik dat Gij hier in het Sacrament aanwezig zijt, als God en mens.

Gij wilt dus dat ik U ontvang en mij in liefde met U verenig.

Daarom bid ik uw grote goedheid en smeek ik U mij met het oog hierop een bijzondere genade te geven: dat ik volkomen in U mag opgaan en uit liefde mij in U overstorten en mij verder met geen enkele andere vertroosting meer inlaat.

Want dit hoogste en allerwaardigste Sacrament is een zegen voor ziel en lichaam, een medicijn voor allerlei geestelijke kwalen. Hier worden mijn gebreken verbeterd, mijn hartstochten beteugeld, bekoringen overwonnen of verminderd; hier wordt overvloedige genade gegeven, wordt de begonnen deugd versterkt, wordt het geloof bevestigd en ontvangt de hoop nieuwe kracht, raakt de liefde in vlam en wordt zij verruimd.

Want talrijke gaven hebt Gij verleend en geeft Gij nog dikwijls in dit Sacrament aan uw geliefden die godvruchtig communiceren, mijn God, Gij die mijn ziel hebt aangenomen, die de menselijke zwakheid hebt hersteld, die de Gever zijt van de innerlijke vertroosting.

Want grote vertroosting geeft Gij hun tegen de veelvuldige kwelling, en uit de diepte van eigen neerslachtigheid richt Gij hen op tot hoop op uw bescherming, en door nieuwe genade herstelt Gij hen innerlijk en geeft Gij hun licht.

Zodat zij die voor de communie zich angstig en zonder liefde voelden, daarna door hemelse spijs en drank verkwikt, zich in een beter mens herschapen wisten.

Gij weegt dit voor uw geliefden daarom af, opdat zij waarlijk erkennen en duidelijk ervaren hoe zwak zij uit zichzelf zijn en hoeveel goedheid en welwillendheid zij van uw kant mogen ondervinden.

Want uit zichzelf koud, hard en ongodvruchtig, verkrijgen zij door U dat zij vurig, ijverig en vroom zijn.

Want wie zou nederig tot de bron van de goedheid naderend, niet met iets van die beminnelijkheid daaruit verrijkt worden?

Of wie zou naast een groot vuur staan en niet daardoor enige warmte opnemen?

Gij zijt de voortdurend volle en overvloeiende bron, een altijd brandend vuur dat nooit verflauwt.

Daarom, al is het mij niet geoorloofd uit de volheid van die bron te scheppen noch tot het laatst mijn dorst te lessen, toch zal ik mijn mond zetten aan de opening van dat hemelse toevoerkanaal, dat ik tenminste een enkele druppel opvang om mijn dorst te stillen en niet volkomen te verdorren.

En al kan ik nog niet helemaal hemels en brandend zijn zoals cherubijnen en serafijnen, toch zal ik proberen mij op godsvrucht toe te leggen en mijn hart voor te bereiden, opdat ik tenminste een vonk van die goddelijk brand uit het nederig nuttigen van dit levendmakend Sacrament mag verkrijgen.

Wat mij ook ontbreekt, goede Jezus, allerheiligste Verlosser, wil Gij dat voor mij welwillend en liefdevol aanvullen, Gij die zo goed zijt geweest allen tot U te roepen met de woorden: Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven (Mt. 11 : 28).

Ik zwoeg immers met bezweet gezicht, mijn hart doorstaat folterende kwelling, ik word beladen met zonden, veel slechte hartstochten verwarren mij en houden mij aan de grond.

En er is niemand die mij helpt, niemand die mij bevrijdt of zalig maakt, tenzij Gij God, mijn Verlosser; aan U vertrouw ik toe mijzelf en al het mijne, dat Gij mij moogt bewaren en binnenleiden in het eeuwig leven.

Ontvang mij tot lof en glorie van uw naam, Gij die mij uw Lichaam en Bloed tot spijs en drank hebt bereid.

Geef, Heer, God van mijn heil, dat met de herhaling van uw geheim de gloed van mijn godsvrucht mag toenemen.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee