Winterjassen

Dit artikel is de Nederlandse vertaling van een verhaal van Catherine Fournier

 

Vorige lente ging Matthew voor de eerste keer biechten en in dezelfde periode borgen we de winterjassen op. Wat is het verband?

Matthew

In de wintermaanden, wanneer de dagen kort en koud waren, leerden Matthew en zijn klasgenoten op school over het sacrament van boete en verzoening. Tijdens de lange winteravonden, zaten Peter en ik samen met Matthew na het avondmaal aan de keukentafel om te bidden en we spraken over wat hij aan het leren was. Zo’n momenten geven veel vreugde aan ouders. We genieten ervan onze kinderen voor te bereiden op de sacramenten, ons geloof met hen te delen en te zien hoe hun geloof zich ontwikkelt.

Het was duidelijk dat Matthew aan het groeien was, zowel lichamelijk als geestelijk. Midden in de winter waren zijn kleren al te klein. Hij nam het ook ernstiger op als hij ongehoorzaam was geweest. Hij kon met gemeende verontschuldigingen naar ons komen, of juist met klem zijn verantwoordelijkheid ontkennen. We merkten dat hij op de drempel van de volwassenheid stond en dat het niet langer voldoende was om gewoon tegen ons ‘sorry’ te komen zeggen als hij iets had misdaan. Hij was klaar voor een spiritueel meer betekenisvolle uiting van spijt: het sacrament van de biecht.

Net als bij onze andere drie kinderen, was de voorbereiding van Matthew op dit sacrament voor ons even leerrijk als voor hem. Als we worstelden met onze woorden om de mysterieuze reddende genade van de biecht bevattelijk uit te leggen aan een jong kind, werden we uitgedaagd om allereerst ons eigen begrip van het sacrament uit te diepen. Voor we het sacrament aan onze kinderen konden uitleggen, moesten we zelf goed begrijpen wat het is en wat het verwezenlijkt.

Ik

Mijn eigen besef van de betekenis van de biecht kwam tot stand wanneer ik zeven was, net als Matthew. Ik ben pas als volwassene tot het katholicisme bekeerd, dus mijn eerste indrukken van de biecht zullen wel erg verschillen van die van ‘gewone’ katholieken. Toen ik een meisje was, was mijn beste vriendin mijn buurmeisje. Elisabeth was katholiek. Ik kan me niet herinneren wat ze me precies over de biecht heeft verteld, maar ik herinner me wel dat ik het helemaal niet eerlijk vond dat alleen katholieken mochten biechten.

De leraars van mijn protestantse zondagsschool hadden me geleerd dat God al onze zonden kende en opschreef in een groot zwart boek (ik stelde me een strenge oude man voor met een ouderwetse pen en inktpot). Als Hij barmhartig genoeg was, zou hij ons onze zonden niet kwalijk nemen op het ogenblik dat we aan de hemelpoort zouden verschijnen en we moesten gedurende heel ons leven bidden en vertrouwen op die barmhartigheid.

Het leek me verschrikkelijk om heel mijn leven in angst te moeten doorbrengen voor Gods wraak, de last te moeten dragen van al mijn zonden en te moeten wachten tot mijn dood om ervan verlost te worden. Ik had nog niet zo lang geleden thuis een mooi antiek kastje stuk gemaakt en ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn als mijn moeder het me nooit zou vergeven, voor de rest van mijn leven niet. Het idee beangstigde me.

Voor de katholieken daarentegen, had God een groot zwart boek waarin Hij al hun zonden opschreef, maar voor hen gebruikte Hij potlood. Elke keer als ze gingen biechten, nam Hij een gum en vaagde Hij al hun zonden weg! Zij konden ‘sorry’ zeggen tegen God en vergiffenis krijgen.

Nu ik ouder ben, zie ik het anders: mijn ziel is het papier en de zonden schrijf ik er zelf op. Elk woord maakt het papier donkerder en verhardt mijn ziel en sluit het af van Jezus’ licht en zijn liefhebbende stem. Alleen God heeft een speciale gum waarmee hij heel het blad kan uitwissen.

Dat is de biecht voor mij: Gods speciale gum voor mijn ziel. Door het sacrament van verzoening hoef ik niet te wachten op genade en vergiffenis tot het moment van mijn dood; ik krijg ze elke keer als ik erom vraag. Ik kan mijn spijt betuigen voor mijn zonden. God vergeeft me en wist ze allemaal uit.

Het enige wat ik moet doen om het sacrament van de biecht ten gronde te begrijpen, is te herinneren hoe verloren, bang en hulpeloos ik me voelde als kind bij het idee geen vergeving te krijgen. We zijn allemaal Gods kinderen en we zijn verloren en hulpeloos zonder Hem. Wannneer Hij mijn zonden en mijn tranen wegveegt, maken de angst en twijfel in mij plaats voor vrede en vrijheid. De genade van de biecht geeft me keer op keer de kracht om “voort te gaan en niet meer te zondigen”.

Afgesloten zijn van Gods genade en van Jezus’ liefhebbende stem is niet alleen troosteloos en beangstigend, het doet ook pijn. Als ik ruzie heb met Peter is het ergste te voelen hoe de harmonie en verstandhouding tussen ons beiden verloren is. Dat doet pijn en dan voel ik me gekwetst, ik voel me gebroken. De wonde begint slechts te genezen wanneer we mekaar vergeven en een nieuw begin maken. Tussen God en mezelf gaat het net zo. Alleen Gods vergiffenis kan me genezen van de wonden die ik mezelf heb aangebracht door te zondigen, maar door zijn volmaakte liefde en genade is de genezende werking van de verzoening ogenblikkelijk.

Tina

We hebben de biecht beter leren kennen telkens we een van onze kinderen erop voorbereidden. Tina (die nu 15 is) vond het moeilijk te begrijpen dat ze alles aan de priester moest vertellen, terwijl God het eigenlijk allemaal al lang wist. Ik denk dat ze biechten inefficiënt vond. “Ik moet niet praten met God, Hij kan horen wat ik denk! Dat heb je me zelf geleerd!” “Ja, Tina, dat is waar, maar…”

Haar bezwaren bij de biecht, dat je moet praten met een priester, heeft ons de kracht en de noodzaak helpen begrijpen van het gesproken woord. Het sacrament van verzoening draait rond berouw en bekering en dat bereik je niet zonder een volledig en eerlijk besef van verantwoordelijkheid. Woorden zijn werkelijk, tastbaar, afgebakend. We voelen onze eigen woorden in onze mond en we horen ze met onze eigen oren. Zelfs als we alleen zijn in een kamer, zijn woorden die we spreken werkelijker dan onze gedachten, omdat ze een indruk nalaten op onze zintuigen. Eens we woorden zoals “Ik ben schuldig” of “Ik hou van jou” of “Het spijt me” hebben uitgesproken, kunnen we er nooit meer helemaal op terugkomen.

Als we het moeilijk hebben om iets gezegd te krijgen, is het omdat we het niet willen toegeven of omdat we geen verantwoordelijkheid durven nemen. Het is de kracht van het gesproken woord in de biecht, dat we door onze zonden uit te spreken (ook al is dat tegen onze zin), de verantwoordelijkheid ervoor aanvaarden (ook al is ook dat tegen onze zin). Maar dan kunnen we ons naar God keren met ons berouw en met de aanvaarding van onze verantwoordelijkheid, en volledig vertrouwen op de verzoening. “Dus zo zie je, Tina, dat je geen goeie biecht kan doen als je het niet vertelt aan de priester.”

Andrew

Andrew (die nu 13 is), benaderde het sacrament op een heel andere manier. Hij had de terechte reputatie impulsief en chaotisch te zijn. Hij handelde alvorens na te denken. Hij was zo nuchter bij het hele gebeuren, dat ik me afvroeg of hij het wel begreep, of erger nog: of het hem wel iets uitmaakte. Maar als ik met hem sprak en zag hoe hij zich gedroeg tijdens de zondagsmis in de weken voor zijn eerste biecht, realiseerde ik me dat zijn geloof reeds zo diep en sterk was, dat hij, eerder dan wijzelf, helemaal klaar was voor zijn eerste biecht.

Het enige dat we moesten doen om hem voor te bereiden voor het sacrament, was hem in herinnering te brengen wat zijn kinderlijk hartje eigenlijk al wist. Jezus woonde al in zijn hart en wachtte op Andrew om te spreken. Daaruit leerden we dat voor iedere persoon de relatie met Jezus en de geestelijke ontwikkeling uniek zijn. Ze ontwikkelen zich op hun eigen tempo.

Sarah

Sarah (nu 10 jaar) wilde voor haar biecht ook een lijst opmaken met ‘redenen’ voor haar gedrag. Zij begreep dat God al op voorhand wist wat ze had gedaan en ze begreep ook dat ze het toch nog moest opbiechten aan de priester, maar ze kon niet begrijpen waarom ze zichzelf voor God niet kon verantwoorden. “Maar mijn broer heeft me kwaad gemaakt, daarom heb ik hem geslagen.” “Nee, Sarah, jij hebt jezelf toegestaan om kwaad te worden. Berouw heeft niets te maken met wat iemand anders heeft gedaaan.” “Nu maak jij me kwaad!”

We legden Sarah uit wat de biecht betekent en daarbij realiseerden we ons opnieuw wat het belangrijkste gevolg van de zonde is: het beledigen van God. Met onze zonde kwetsen we mensen rondom ons – hoewel we dat vaak moeilijk erkennen en gemakkelijk relativeren – maar onze zonde heeft ook gevolgen voor onze relatie met Christus en voor de ontvankelijkheid van onze ziel voor God.

Vaak wordt beweerd dat zonde een sociaal gegeven is, dat we enkel moeten kijken naar de impact van onze daden op de mensen (spijtig genoeg is deze bewering ook in de klas gemeengoed). Als dat zo zou zijn, dan zouden we het sacrament van de verzoening niet nodig hebben. Dan zouden we onze fouten alleen moeten bekennen aan de andere mensen en de schade proberen goed maken tegenover de mensen die we schade hebben berokkend.

Gelukkig hebben we een bewijs dat zondie niet uitsluitend een sociaal gegeven is. We kunnen aantonen dat onze zonde God beledigt en dat de biecht essentieel is.

De dood aan het kruis, van onze Verlosser Jezus Christus, is een offer voor onze zonde. Jezus houdt zo van ons allemaal, dat Hij al onze schuld op zichzelf nam. Hij biedt zichzelf door de eucharistie voortdurend  aan als een offer voor onze zonden. Dat moet elk van ons, niet alleen Sarah, elke dag opnieuw leren en onthouden.

Matthew

Vorige winter was het de beurt aan Matthew (nu acht). Ook van hem hebben we iets opgestoken. Matthew heeft pas laat leren spreken. Daardoor is hij heel voorzichtig als hij zichzelf uitdrukt. Hij luistert en denkt na en dan pas spreekt hij. Hij kan in zichzelf zitten broeden als hij met vragen zit.

Dat was ook te merken in Matthews houding tegenover het sacrament. Hij zat meer in met het van buiten leren van de akte van berouw dan met het leren begrijpen van het sacrament. Zijn spraakprobleem maakt dat hij veel moeite doet zich goed uit te drukken en ik geloof dat het sacrament van de biecht voor hem op termijn een verlossing zal zijn. Hij zal ontdekken dat hij door Jezus begrepen en aanvaard wordt. We zagen dat onze zoon zijn zelfvertrouwen herwon door de biecht en dat leerde ons dat deze liefde er voor elk van ons is, dat de biecht een sacrament is van liefde en van vertrouwen.

Biecht en eerste communie

Nu hebben we nog twee jongens meer te gaan. Jonathan is zes en Robert bijna vier. Ze groeien snel en ontwikkelen hun eigen relatie met Christus. Het is aangrijpend te zien hoe ze lichamelijk groeien, maar dat verbleekt bij de blijdschap die we voelen als we zien hoe hun geloof groeit.

Door onze kinderen voor te bereiden op de biecht winnen we twee keer. Niet alleen winnen we zelf een dieper begrip van ons geloof, we leren ook onze kinderen te zien zoals ze werkelijk zijn: kinderen van God.

Maar de voorbereiding van de kinderen op het ontvangen van de sacramenten is ook een dubbele uitdaging. Elk kind heeft een eigen persoonlijkheid en benadert het sacrament op zijn eigen wijze en dat is de eerste uitdaging. Spijtig genoeg is er nog een tweede uitdaging. Je moet ook bezig zijn met de informatie die je kinderen van anderen krijgen tijdens deze voorbereiding. Ik heb al het voorbeeld gegeven van zo’n foute informatie: het idee dat zonde louter een sociaal gegeven is. Een ander veel voorkomend probleem is dat in sommige parochies de eerste biecht plaatsvindt na de eerste communie.

Het argument daarvoor is dat kinderen in het eerste of tweede leerjaar te jong zijn om het concept van zonde en biecht te begrijpen. Onze kinderen vinden dat beledigend. Men heeft me ook nooit kunnen antwoorden waarom kinderen op die leeftijd dan wel gereed zouden zijn voor hun eerste communie.

De volgorde van eerste biecht en eerste communie omkeren maakt het juist moeilijk om beide sacramenten goed te begrijpen. Een eerste communie die niet voorafgegaan wordt door een eerste biecht, geeft dat de indruk dat de tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie niet helemaal werkelijk is of in elk geval niet belangrijk genoeg om er eerst je ziel grondig op voor te bereiden. Een eerste biecht doen terwijl je al je eerste communie hebt gedaan, geeft de indruk dat onze zonden niet echt belangrijk zijn, dat ze geen ernstig gevaar betekenen voor de ontvankelijkheid van onze ziel voor Jezus.

Als Christus werkelijk aan het kruis gestorven is voor onze zonden, als Hij werkelijk aanwezig is in de Eucharistie, als Hij werkelijk geofferd wordt in elke heilige Mis voor onze zonden, als hij door de communie nieuw leven geeft en heiligmakende genade schenkt, dan is het onze verantwoordelijkheid om ons volledig voor Hem open te stellen. Om Hem te ontvangen, moeten we ons zo goed mogelijk voorbereiden. Dat wil niet zeggen dat we nieuwe kleren en nette schoenen moeten dragen, maar wel dat we ons goed voorbereiden met een regelmatig gewetensonderzoek. Met andere woorden: de eerste biecht gaat de eerst communie vooraf.

Als het nodig was, hebben we onze kinderen thuis voorbereid op hun eerste biecht, terwijl ze op school voorbereid werden op hun eerste communie. Wat we thuis deden, was complementair aan het onderricht op school. Een priester en goeie vriend des huizes hoort de eerste biecht een week of zo voor ons kind samen met de klasgenootjes hun eerste communie ontvangt in de parochiekerk.

Zelfbediening

De belangrijkste les die ik uit de voorbereiding van onze kinderen heb getrokken is hoe groot hun begrip was. Dat is wat Jezus bedoelde als Hij sprak over “het eenvoudige geloof van een kind”. Kinderen beschikken niet altijd over de juiste woorden en hebben niet de drang die volwassenen zo eigen is om alles logisch te verklaren, maar ze zijn als een spons die het water opzuigt. Ze nemen het allemaal op, omdat het precies is wat ze nodig hebben. Telkens weer zag ik bij de kinderen hoe belangrijk het is te zorgen dat godsdienstige vorming de ganse leer van de Kerk omvat, eerder dan aan “zelfbediening” te doen met de gemakkelijke stukken.

Die zelfbediening laat onvermijdelijk elementen achterwege. Vermits ieders persoonlijke relatie met Jezus uniek is, en vermits ieders geestelijke ontwikkeling even uniek is, is het gevaarlijk te beslissen wat iemand wel of niet te horen moet krijgen op een gegeven ouderdom.

Winterjassen

Het is niet hetzelfde als winterjassen kopen. Geen ouder die bij zijn verstand is, zou een winterjas kopen voor zijn kind in een volwassen maat en verwachten dat het kind het daarin warm zou hebben “tot het erin gegroeid zal zijn”. Nee, je koopt een jas die groot genoeg is voor een winter of twee en als hij te klein is, koop je een andere. De te kleine jas wordt dan doorgegeven, weggegeven of weggegooid.

Ik heb geen idee wat de maat van Matthews ziel is. Niemand kent die maat, tenzij God. Als ik nu aan zelfbediening doe en uitkies wat ik denk dat hij nu kan begrijpen, dan steek ik hem in een jas waarvoor hij te groot zal worden en die hij zal weggooien.

Ik zou liever God willen laten beslissen welke maat hem past.

 

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *