Maand: april 2017

Boek III Hoofdstuk 40 De mens heeft niets goeds uit zichzelf en mag zich nergens over beroemen

DE ZIEL. – Heer, wat is de mens dat Gij hem gedachtig zijt? Of de zoon van de mens, dat Gij hem bezoekt? (1) Waar heeft de mens verdiend dat Gij hem uw genade geeft? Wat mag ik mij beklagen, Heer, als Gij mij verlaat; of wat kan ik er met reden tegen inbrengen, als Gij niet doet wat ik verzoek? Dit mag ik voorwaar denken en zeggen: Heer, ik ben niets, ik vermag niets, ik heb niets goeds uit mijzelf; maar ik bezwijk in alle dingen, en ik zink altijd naar het niet. En indien ik door U niet geholpen, en inwendig versterkt word, zo zal ik zeer lauw en krachteloos worden.

Maar Gij, o Heer! Blijft altijd dezelfde, en blijft in eeuwigheid (2); altijd goed, altijd rechtvaardig, altijd heilig; Gij doet alle dingen wl, heilig en rechtvaardig, en beschikt alles in uw wijsheid. Maar ik, meer genegen om achteruit dan om voorwaarts te gaan, ik blijf niet duurzaam in dezelfde staat: want allerlei wisselingen gaan over mijn hoofd (3). Nochtans gaat het haast beter met mij, als het U belieft mij uw helpende hand toe te reiken: want Gij alleen kunt mij zonder mensenhulp bijstand verlenen, en z versterken, dat mijn gelaat niet telkens van uitdrukking verandere (4), maar dat mijn hart alleen tot U keert en in U rust.

Daarom, indien ik alle menselijke troost wel kon verwerpen, hetzij om de godsvrucht te bekomen, hetzij ter oorzake van de noodzakelijkheid, die mij praamt U te zoeken (want geen mens ter wereld kan mij troosten), dan zou ik met reden uw genade mogen verwachten, en mij verblijden over de gave van een nieuwe vertroosting.

Ik dank U, o Heer! Die de oorsprong zijt van alles, zo dikwerf mij iets goeds overkomt. Maar ik, ik ben voor uw ogen ijdelheid en nietigheid, een ongestadig en krank mens. Waarop dan kan ik mij beroemen, of waarom zoek ik geacht te worden? Om mijn niet? Dit is het toppunt der ijdelheid. Voorwaar, ijdele glorie is een verschrikkelijke pest en de grootste aller ijdelheden; want zij trekt ons af van de ware glorie, en berooft ons van de hemelse genade. Want als de mens in zichzelf behagen heeft, zo mishaagt hij U; en als hij de lof der mensen zoekt, verbeurt hij de ware deugd.

Maar het is ware glorie en heilige blijdschap in U en niet in zichzelf zijn roem te stellen; zich in uw Naam, en niet in eigen deugd te verblijden, en geen vermaak te hebben in enig schepsel dan om U. Uw naam zij geloofd en niet de mijne; uw werk zij geprezen en niet het mijne; uw heilige Naam zij gezegend, en niets van de lof der mensen worde mij toegeschreven. Gij zijt mijn glorie, Gij zijt de verheuging van mijn hart. In U zal ik roemen en onophoudelijk mij verblijden; maar voor mij zij geen andere roem dan in mijn krankheden (5).

Dat de Joden hun glorie zoeken bij elkander (6): ik zal die zoeken, die van God alleen komt (7). Alle menselijke glorie, alle tijdelijke eer en alle wereldse hoogheid, vergeleken bij uw eeuwige glorie, is ijdelheid en dwaasheid. O mijn God, mijn Waarheid, mijn Barmhartigheid! O allerheiligste Drievuldigheid! U alleen zij lof en eer, macht en glorie in alle eeuwen der eeuwen.

(1) Ps. 8: 5 (2) Ps. 101: 13,28 (3) Dan. 4: 13 (4) 1 Kon. 1: 18 (5) 2 Kor. 12: 5 (6 en 7) Joh. 5: 1,44

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 39 Dat men in zijn zaken niet al te bezorgd moet zijn

CHRISTUS. – Zoon! beveel Mij altijd uw zaken aan; Ik zal alles ten beste schikken op zijn tijd. Wacht naar mijn beschikking, en gij zult er baat bij hebben.

DE ZIEL. – Heer, zeer gaarne laat ik U al mijn zaken over; want mijn gedachten kunnen mij weinig baten. Ach, dat ik voor de toekomst niet bekommerd en beangstigd ware, en mij in alles terstond aan uw welbehagen opdroeg.

CHRISTUS. – Zoon, dikwijls jaagt de mens met drift een zaak na, die hij gaarne had: maar als zij ze bekomen heeft, zo begint hij anders te denken; want zijn neigingen blijven niet lang staan op een en dezelfde zaak, maar drijven hem gedurig van het een tot het ander.

Het is daarom van geen gering belang, zichzelf ook in het minste te verloochenen.

De ware vooruitgang van de mens ligt in zelfverloochening, en de mens die zich verloochent, is zeer vrij en gerust. Maar de oude vijand, die strijdt tegen al wat goed is, houdt niet op te bekoren; dag en nacht legt hij listen en lagen, hopende de onvoorzichtige eens in zijn strikken te vangen. Waakt en bidt, zegt de Heer, opdat gij in geen bekoring valt (1).

(1) Matth. 26: 41

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 38 Over de goede regeling van het inwendig gedrag en de toevlucht tot God in de gevaren

CHRISTUS. – Zoon, gij moet zorgvuldig trachten, in alle plaatsen en in alle werken of uitwendige bezigheden, inwendig vrij te zijn en uzelf te bezitten! Zodanig dat aan alles u onderworpen zij, en zij aan niets. Opdat gij meester en bestuurder van al uw werken zijt, en geen dienstknecht of slaaf. Gij zult alzo een oprecht en vrij Hebrer zijn, overgaande tot het erfdeel en de vrijheid van Gods ware kinderen; Die verheven zijnde boven al de tijdelijke dingen, de eeuwige zaken in de toekomst aanschouwen; Die zich niet laten verlokken door het aards om het aan te hangen; maar deze eerder aantrekken om ze tot het goed te doen dienen, volgens dat het van God geschikt is, en ingesteld door de opperste Werkmeester, die niets ongeschikt in zijn schepsel gelaten heeft.

Indien gij in alle voorvallen niet blijft staan bij de uitwendige schijn, en wat gij hoort of ziet, met geen zinnelijk oog beschouwt, maar bij iedere aangelegenheid terstond met Mozes in het tabernakel gaat, om van God raad te vragen, zo zult gij de goddelijke ingeving ook somtijds horen, en onderwezen in vele tegenwoordige en toekomende dingen wederkeren. Want Mozes nam in twijfelachtige vragen altijd zijn toevlucht tot het tabernakel; en zocht hulp in het gebed, om verlost te worden van de gevaren en de listen der kwade mensen. Alzo moet gij ook uw toevlucht nemen tot het binnenste van uw hart, en daar met alle aandrang de hulp van God afsmeken. Want waarom leest men dat Josu en de kinderen van Isral bedrogen zijn geweest door de Gabaonieten? Omdat zij God vooraf niet te rade waren gegaan (1), maar te licht geloofden aan verlokkende woorden, en zo werden zij door gehuichelde vroomheid misleid.

(1) Jos. 9: 14

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)