Auteur: Willem Grossouw

De eeuwigdurende bekering

374. Donderdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

In het offergebed van de zondagsmis lezen wij: „Verhoor, o Heer, genadig onze smekingen. Aanvaard de offers en gebeden van uw volk. Bekeer ons aller hart tot U, opdat wij, van aardse begeerten bevrijd, tot hemelse verlangens mogen overgaan.”

1. De heilige Kerk houdt ons op de laatste Zondag van het liturgisch jaar een der allerschoonste gebeden over de offergaven voor. Het brood en de wijn die zich op het altaar bevinden, alreeds aan profaan gebruik onttrokken, zijn de gaven van „Gods volk” , dat is van ons, die „Gods heiligen en geliefde uitverkorenen” zijn. God zal ze aanvaarden, want zij zullen door het priesterlijk woord worden veranderd in het lichaam en bloed des Heren. Onze „gebeden en smekingen” vergezellen ze. Ja, zij zelf worden in Jezus’ offer de vurigste en immer verhoorde smeekbede, die de Vader behaagt.

2. En hoe zuiver geeft deze formule het doel aan dat de eredienst der Kerk in ons wil bereiken: „ons aller hart moet zich tot God bekeren” . Zijn wij dan niet bekeerd, willen wij God niet oprecht dienen? Toch moeten wij altijd opnieuw bidden: „Bekeer ons hart tot U” , en met de psalmist: „Bekeer ons, o God, ons heil” ( Ps.84, 5 ), en met de Kerk in een ander harer gebeden: „Buig als met geweld onze opstandige wil tot U terug.” Wij behoeven altijd opnieuw bekering en deze bestendige ommekeer moet immer uitgaan van Gods genade. Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, die vurig blijven verlangen naar een heiligheid die hier op aarde nooit volkomen en nooit onverliesbaar wordt bezeten. Ons hart is een wankel ding. Onze zelfzucht krijgt steeds weer de overhand. Telkens weer zet zich op onze ziel het schuim af van zonde en onvolmaaktheid. Hoe past het ons nederig te verzuchten met de psalmist: „Was mij meer en meer van mijn ongerechtigheid” , en elke morgen opnieuw bij het confiteor ons op de borst te kloppen! In elke mis vragen wij God sterker beslag te leggen op ons hart, bij elke communie bidden wij: „Laat mij nimmer van U gescheiden worden. Moge de werking der hemelse gave bezit nemen van ons lichaam en onze ziel.”

3. Zo, Heer, zult Gij ons langzaamaan zuiveren van de „aardse begeerten” , ons geleidelijk genezen van de brandende en onrustige koorts van het egoïsme. Dan komt in ons het reine verlangen, dan gaan wij over tot de gelukzalige staat ( transeamus ) de hemelse begeerten en worden wij rijp voor wat Contardo Ferrini het feest van de heilige gedachten noemde. Wat behelzen deze? Verlangen naar uw nabijheid, naar het eeuwige zijn bij U, en verlangen naar de komst van uw rijk op aarde, verlangen om te werken en te lijden voor U, verlangen naar het enig noodzakelijke, naar het horen van uw woord, als Maria stil gezeten aan uw voeten, verlangen om onze broeders en zusters lief te hebben, verlangen naar waarheid en gerechtigheid. Heer, wij nemen deze woorden te gemakkelijk in de mond; zij dringen niet diep in de ziel, zij komen nog niet voort uit de grond van ons hart. Zij zijn nog niet geworden het woord dat Gij tot ons spreekt en dat ons zuivert ( Joh.15, 3 ). Gij alleen, Schepper en Heiligmaker, Gij alleen zijt in staat zulk een werkelijkheid in ons te scheppen en te behouden.

„Richt Gij zelf vast en zeker onze weifelende en wankele harten.” „U, Christus, kennen wij alleen. U smeken wij met zuiver en eenvoudig hart, bij klacht en lofzang, sla acht op het innerlijkst van onze geest” ( hymne van de lauden op Woensdag ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Dank voor het jaar van Gods goedheid

373. Woensdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

Het epistel van de Zondag eindigt met de schone woorden van Sint Paulus : „Ik bid en smeek dat gij de Vader moogt danken die u in staat heeft gesteld om deel te krijgen aan de erfenis der heiligen in het licht. Hij heeft ons aan de macht der duisternis ontrukt en overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, door wie wij de verlossing hebben verkregen, de vergiffenis der zonden” ( Kol.1, 12-14 ).

1. Hoe dikwijls hebben wij in het afgelopen jaar onze ziel gesterkt met de woorden van de grote apostel! Wanneer wij nu, overeenkomstig zijn vermaning, God danken voor zijn weldaden, dan mag erkentelijkheid voor de hemelse gave van die woorden niet achterwege blijven. Wanneer wij, volgens de uitdrukking van Sint Paulus , eenmaal deel hopen te krijgen aan het bovenaardse licht van de zaligen, dan mogen wij nu reeds ons verheugen om de stralen van dat licht, ons meegedeeld in het woord Gods, dat onze gang door het jaar begeleidde.

Dankbaarheid jegens God onze Vader, van wie alle goed neerdaalt, dit is een van Paulus ‘ geliefde vermaningen. Hoe passend worden wij er in deze laatste week van het kerkelijk jaar aan herinnerd! Deze gesteltenis moet nu overheersen in onze ziel. Met de schaamte over de fouten van het verleden en onze overgrote onwaardigheid, met de heilzame vrees voor dood en oordeel die onafwendbaar naderbijkomen, met deze en boven deze: blijde dankbaarheid voor alles wat wij van God ontvingen. Zijn barmhartigheid overtreft oneindig al onze ellende. Het is altijd alleen zijn genadige verlossing die ons redt.

Laten wij nagaan, voor zijn aanschijn, hoe goed de Heer wederom voor ons was tijdens de jaarkring van zijn welwillendheid die voorbijging…

2. De ene en grote, alle andere in zich sluitende weldaad Gods is onze verlossing , dat wij „deel mochten krijgen aan de erfenis der heiligen in het licht en werden overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon” . Alle genaden, die zijn mildheid ons schonk in het afgelopen jaar, hangen daarmee samen als takken en loof aan de ene boom. Wij werden „ontrukt aan de macht van de duisternis” , waar de satan heerst, aan de zonde, aan de dwaling en het verderf, aan het niets, aan de schijn van deze wereld die voorbijgaat. Want bij alle bewustzijn van eigen onwaardigheid en onvoldoendheid zijn wij, bij dit einde, toch gelukkig door het besef dat wij in de levenwekkende schoot der Kerk en de gemeenschap van de sacramentele tekenen deel hebben aan het licht der heiligen, aan het licht van God zelf.

Kinderen der Kerk, kinderen van God, ledematen van het rijk van de geliefde Zoon: welk een fiere blijdschap moge ons bezielen! Al onze zonden en al onze zwakheid mogen ons de uitverkiezing Gods niet doen vergeten.

3. Deze genade gewerd ons door Hem „door wie wij de verlossing hebben verkregen, de vergiffenis der zonden” , door Jezus Christus die gekruisigd werd om onzentwil. Naar onze gekruisigde Heer zien wij op met geloof en vertrouwen, naar Hem die wij aanschouwden alle dagen van het jaar, die wij verwachten aan het einde der jaren. Het kruis van Jezus heeft ons vergezeld en wij willen het nimmer verlaten, totdat het verschijnt op de wolken des hemels. In het kruis ligt ons heil, ons leven en onze verrijzenis. Het teken en werktuig der verlossing, het insigne van de christen, de hoop van onze harten, ons eigen kruis in ons eigen leven (maar geen christen leeft voor zichzelf…), laten wij het duurzamer trouw beloven voor de tijd van het leven die Gods goedheid ons schenkt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Christelijke doodsgedachte

372. Dinsdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

Het einde van het jaar brengt ons vanzelf op de gedachte aan het einde van ons leven. De komst van Christus ten oordeel waarvan het grote zondagsevangelie spreekt, sluit ook zijn komst in als rechter voor ons allen, in die ontmoeting van God en de ziel, die wij het bijzonder oordeel plegen te noemen. Er is een soort conventie om de dood dood te zwijgen. Deze welgemeende samenspanning werkt het sterkst, als de dood van een dierbare nabij lijkt en ontaardt dan niet zelden in leugen en bedrog. Dit is zeer weinig christelijk. Wij zijn toch niet als zij die geen hoop hebben? Wij weten toch dat een zalige dood onze volmaaktste gelijkenis met Christus op aarde bewerkt en aanvang is van een onwankelbare vereniging der ziel met God? En er is wel nauwelijks een groter dienst die wij als christen aan onze naaste kunnen bewijzen denkbaar dan de hulp hem tijdig verleend voor een zalig afsterven.

1. In de evangeliën spreekt Jezus zelden over de dood van de afzonderlijke mens. Maar veel van wat Hij zegt over zijn wederkomst op het einde der tijden, geldt ook voor ons stervensuur, en wel heel bijzonder dat het tijdstip onbekend en de komst onverwacht zal zijn. Het beeld van de „dief in de nacht” is van Jezus zelf afkomstig ( Mt.24, 43 ; Lk.12, 39 ). De apostelen hebben het herhaald: „Zie, Ik kom als een dief; zalig hij die wakende is” ( Openb.16, 15 ; 3, 3 ; 1 Thess.5, 2 ; 2 Petr.3, 10 ). En het heeft zijn volle kracht behouden. Christelijk leven is leven in waakzaamheid.

2. De gedachte aan de dood is onmisbaar om het aardse leven naar zijn juiste waarde te beoordelen. De wetenschap dat men zal sterven geeft ons het persoonlijk besef van de algemene vergankelijkheid van het aardse. De gestalte van deze wereld gaat voorbij ( 1 Kor.7, 31 ). Zij gaat voor ons voorbij, omdat wij sterven. „Dwaas, nog deze nacht eist men uw ziel van u op, en wat ge hebt opgestapeld, van wie zal het zijn?” ( Lk.12, 20 ).

De dood is de grote waardemeter. Wat voor zijn geweld standhoudt, heeft eeuwigheidswaarde. Zoals wij de dingen zullen beoordelen in ons stervensuur zo zijn zij waarachtig. Dan beginnen wij door de schijn van dit leven heen te zien.

„De mens sterft slechts éénmaal en daar het hem aan ervaring ontbreekt, sterft hij verkeerd. Wil hem het sterven gelukken, dan moet hij onder leiding van ervaren mensen leren sterven, onder leiding van hen die reeds stervende waren. De onthechting geeft ons deze ervaring van de dood” ( Florensky ). Als wij niet reeds tijdens ons leven het kruis hebben gedragen, zullen wie niet licht goed weten te sterven.

3. De dood is voor de christen geen einde, maar een begin, de smartelijke doch voleindigende overgang naar het eeuwige zijn bij God. Hoezeer verlang ik, zegt Paulus , dit leven te verlaten om met Christus te zijn! Dit is toch veruit het beste ( Phil.1, 23 ). Zolang wij in het lichaam thuis zijn, zijn wij ver van de Heer ( 2 Kor.5, 6 ).

Dit is het grote verlangen dat alle heiligen heeft bezield en dat hen menigmaal als een heimwee verteerde. Ons leven moet zo zijn dat ook in onze ziel dit verlangen kan ontstaan.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Een leven dat vruchten draagt

371. Maandag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

In de oratie van de Zondag bidden wij dat „wij de vrucht van het goddelijk werk ( opus divinum ) met grote toewijding mogen uitvoeren” . In het epistel wenst Sint Paulus ons toe dat wij „vrucht dragen in allerlei goede werken en toenemen in de rechte kennis van God” ( Kol.1, 10 ).

1. Aan het einde van het kerkelijk jaar gekomen vragen wij ons bijna onwillekeurig af: was het goed en vruchtbaar, was het ten minste dragelijk? Onderzoeken wij onszelf eerlijk, voor het aanschijn van God. Velen in de wereld zijn tevreden, als zij leven van dag tot dag, als zij het hoofd boven water houden, zoals men dat noemt. Zij denken liefst niet na over de dingen die daarachter liggen. Zij kennen de zin van het bestaan niet, omdat zij niet geloven. (Hoe moeilijk en hoe hopeloos leven zij dikwijls en hoezeer werden wij bevoorrecht! Wij moeten dit altijd opnieuw bedenken.) Ons leven heeft de zin die God er aan gaf en die wij kennen door het geloof. Maar het moet ook vruchten dragen door onze edelmoedigheid. De goddelijke zin van ons bestaan, God eer te geven, zelf gelukkig te worden en anderen te helpen, wordt niet vervuld, als wij het niet vruchtbaar maken en rijk in goede werken. Wij behoeven ons niet af te vragen, zoals talloos velen, of het leven wel betekenis heeft. Maar wij dragen de grote verantwoordelijkheid van de gaven van God die ons werden geschonken: door zijn genade (maar deze staat altijd voor ons gereed) en onze inspanning moeten wij vruchtbaar worden en moeten wij de zin van ons leven waar maken. Hoe kunnen wij toch zo achteloos zijn en zo traag? „Bekeer onze harten tot U” (offergebed).

2. Maar de vruchten van ons leven zijn dikwijls, misschien wel altijd, verborgen voor ons oog. Wij gelijken mensen die in het donker werken en zelf niet zien wat zij bereiken. God vraagt van zijn geliefden altijd en vóór alles: geloof. Wij moeten geloven dat ons leven, door zijn genade, zin heeft en vruchtbaar is, ook al mislukken onze liefste plannen, al schijnen onze dierbaren af te dwalen van de weg van God, al lijkt het dat wij zelf, meer nog dan de anderen, machteloos zijn en naakt en arm voor Gods oog.

En daarom bidt de apostel niet enkel dat wij vruchten dragen van goede werken, maar ook dat wij „toenemen mogen in de rechte kennis van God” .

Als wij aan het einde van dit jaar (en aan het eind van ons leven) onszelf met ledige handen zien staan voor God, met gebroken voornemens en onvervulde idealen, maar wij weten, diep in ons hart, dat wij beter denken over God, dat wij Hem beter leerden kennen, dan is die tijd niet verloren geweest. Dan is ons leven niet mislukt. Want dit is de zin van ons bestaan en de kostbaarste vrucht van Gods genade, dat wij Hem een weinig leren kennen zoals Hij is, onuitsprekelijke verhevenheid en liefde zonder grond. Deze vrucht wil Hij oogsten op de bodem van onze ziel: kennis van God die tegelijk liefde is en die slechts verworven wordt ten koste van bloed en tranen.

„Offer voor God is een vermorzelde geest,
een gebroken en vernederd hart zult Gij, o
God, niet versmaden”
( Ps.50, 19 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

In het licht van Gods oordeel

370. Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

De Kerk herinnert de mens in deze laatste week van het kerkelijk jaar aan zijn einde door hem in de woorden des Heren het einde van deze wereld voor te houden. Het aflopen van de jaarkring verbeeldt onze eigen vergankelijkheid. De laatste dingen van wereld en mensheid vinden hun voorspel in de dood en het oordeel van de afzonderlijke mens. Ten gevolge van de heilzame praktijken van missie en retraite zijn vele katholieken wellicht geneigd te menen dat de gedachte aan de uitersten beperkt moet blijven tot die perioden van geestelijke extra-voeding. Niets is minder waar. „Bij al uw handelen denk aan het einde en in eeuwigheid zult gij niet zondigen” ( Eccli.7, 40 ). Er zijn weinig dingen die ons zo krachtig tot de deugd opwekken als de overweging van de dood en de hel. Er zijn weinig dingen waartoe onze Heer zelf ons in de evangeliën dringender aanspoort dan tot waakzaamheid. Het christelijke leven is uit zijn aard geheel gericht op dat einde dat voor de ware christen schone voleinding en heerlijk begin zal zijn. „Dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels met grote macht en majesteit” ( Mt.24, 30 ; evangelie). De Heer komt voor ieder van ons in het ogenblik van de dood. Ook zonder voortekenen weten wij dat dit „dicht bij is en voor de deur staat” .

1. Dan vindt het bijzondere oordeel plaats. Christus, de rechter van levenden en doden, zal het oordeel uitspreken over ons leven, over alle daden van ons leven. In zijn genadeloos licht zullen wijzelf dan, in één oogwenk, heel ons leven overschouwen en in die klaarheid, die alle schuilhoeken van ons bewustzijn doorlicht, ons eigen lot lezen. Dat is het oordeel: dat wij zelf zien zoals God ziet en dat wij zien dat het zó is en niet anders wezen kan. Wij zullen eensklaps onszelf kennen zoals wij zijn, onze armzalige deugd en onze zonden, de genaden Gods en alle verspeelde kansen, alle weigeringen en alle halve antwoorden op Gods roep. Wij zullen alleen zijn voor God. Het scherm van de zinnen zal zijn opgehaald, het rookgordijn van gewoonte en omgeving is verdwaald. Zelfzucht, ijdelheid en oppervlakkigheid kunnen onze naaktheid niet langer camoufleren. Het beroep op anderen die niet beter waren dan wij zal op onze lippen besterven. Wij zullen eindelijk weten. Wij zullen onszelf oordelen: sprakeloze beaming van het woord dat weerklinkt uit de mond van de Rechter.

2. Wij willen de Heer Jezus bidden, dat Hij nu reeds een straal van dat licht zende in de duisternis van ons aardse leven. Dat wij nu, in deze tijd van inkeer en boete, mogen leven in het licht van zijn oordeel. Dat wij, „vervuld met de kennis van zijn wil” , zoals het epistel zegt, ons leven en onze daden mogen beoordelen naar die zuivere maatstaf. „Wat Ik u zeg, dat zeg Ik tot allen: Waakt!” ( Mk.13, 37 ).Christelijke waakzaamheid, christelijke helderheid moet door de aardse schijn heenschouwen, moet vrijwaren voor de begoochelingen van het egoïsme om het naakte wezen te zien van onze daden, hun waarde en onwaarde in het oog van God.

De heilige Vincentius a Paulo was gewoon de dag te beëindigen met de gedachte aan de dood. Wat standhoudt in het licht van de dood en van het oordeel Gods heeft eeuwigheidswaarde. Al het andere is van weinig belang.

3. Zalig zij die gewoon zijn te leven in de tegenwoordigheid Gods! Wanneer wij eerlijk trachten voortdurend met God verenigd te leven, ons daarbij baserend op het geloof en niet op het gevoel, behoeven wij het oordeel na de dood niet te vrezen. Dan zal immers ons sterven niet een ontwaken zijn in de schrikwekkende Aanwezigheid die wij tijdens ons leven ontvlucht hebben, noch een ontzettende ontdekking van onszelf in het licht van God noch een vernemen van de stem die zegt: „Ik heb u nooit gekend” , — maar een overgang naar de eeuwige tegenwoordigheid, zonder beeld of schaduw, van Hem die wij zochten in de duisternis van het geloof en in wiens licht wij poogden al onze daden te beoordelen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)