Bezorgdheid

19. Donderdag na de Derde Zondag van de Advent

„Maakt u over niets bezorgd,” schrijft Sint Paulus in het epistel van de Zondag, als de negatieve uitdrukking van het „verheugt u immer in de Heer” ( Phil. 4, 6 ). Het is ons wellicht nog nooit opgevallen hoezeer deze afwezigheid van alle getob een kenteken is van het authentieke oudste christendom. Paulus schrijft op een andere plaats: „Ik wilde wel dat gij zonder zorgen waart. Die niet getrouwd is, wijdt zijn zorgen aan de zaak des Heren, hoe hij de Heer zal behagen. Maar hij die getrouwd is, wijdt zijn zorgen aan aardse zaken, hoe hij zijn vrouw zal behagen en hij is verdeeld.” ( 1 Kor. 7, 32. 33 ). Sint Petrus schrijft: „Werpt al uw kommer op de Heer, want Hij heeft zorg voor u” ( 1 Petr. 5, 7 ). De apostelen zijn hier slechts de trouwe echo van de Meester zelf, wiens „maakt u geen zorg” de leidende idee is van een der schoonste passages uit de Bergrede ( Mt. 6, 25-34 ). Jezus verbiedt de ware leerling niet enkel overbodige dingen na te jagen, maar Hij keurt zelfs alle angstige en onrustige bezorgdheid af voor het noodzakelijke levensonderhoud: „Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten of drinken, noch over uw lichaam waarmede gij het zult kleden” . „Weest niet bekommerd om de dag van morgen. want de dag van morgen zal bezorgd zijn voor zich zelf.” En zelfs de zo goed bedoelde bedrijvigheid van Martha wijst Hij af: „Gij zijt bekommerd en verontrust over vele dingen, maar slechts één is noodzakelijk” ( Lk. 10, 41 ).

2. Het is niet zoals velen menen, dat het christendom alleen maar lasten oplegt, prettige dingen onmogelijk maakt of er het plezier van vergalt door ze als zondig te beschouwen, een soort verbods- en politiegodsdienst. In de grond is het zelfs helemaal niet zo. Het christendom schenkt het eeuwige leven, een positieve volheid als geen andere. Het schenkt bevrijding, reeds op aarde. De handgift des Geestes bezitten wij reeds nu, het onderpand, het waarachtige begin en de voorproef van een bovenaardse vreugde. Zij die in God geloven en op Hem vertrouwen, worden geleidelijk bevrijd van de bezorgdheid die de wereldlingen kwelt en ook vele vromen die kleinmoedig zijn en nog niet geleerd hebben God in geest en waarheid te aanbidden. Christus wil dat wij geestelijk vrij worden, niet alleen van alle soorten zondige gehechtheid, maar ook van alle geestelijke slavernij waarmee veel vrome zielen zich kwellen: angstvalligheid, formalisme, de knellende banden van opeengehoopte devotie-oefeningen, mensenvrees, angst voor de toekomst en angst voor het verleden. „Maakt u over niets bezorgd.”

3. Maar natuurlijk is dit geen zorgeloosheid van vrolijke Fransen. Jezus wil dat wij vrij komen te staan tegenover het aardse en daarom impliceert zijn onbezorgdheid een grondige zelfverloochening. En Hij wil dat die vrijheid ergens voor dient. De ware christen maakt zich geen zorg voor tijdelijke dingen om des te vollediger zich te kunnen wijden aan het éne noodzakelijke, gebed en beschouwing, — aan het Rijk der hemelen en zijn gerechtigheid, — aan de zorg van de naastenliefde voor het heil van de ander. „Opdat er in het lichaam geen tweedracht zou heersen, maar de leden gelijke zorg voor elkander zouden dragen” ( 1 Kor. 12, 25 ). „Draagt elkanders lasten” ( Gal. 6, 2 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *