Dankbaarheid

293. Dertiende Zondag na Pinksteren

„Toen Hij een dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatsen tegemoet, die van verre bleven staan en met luider stem riepen: „Jezus, Meester, ontferm U onzer” (evangelie, Lk.11-19 ).

1. Deze ongelukkigen, aangetast door de ongeneeslijke en afzichtelijke kwaal, buiten de maatschappij gestoten, levend dood, — zij zijn het beeld van het menselijk geslacht, overgeleverd aan zonde en dood. Treden wij voor Christus de Heer, in het diep bewustzijn van de zondigheid en verlorenheid die ons eigen is. Ons leven is van Hem, van Hem alleen. Vergeten wij onze oorsprong niet, belijden we onze zonden, verheffen we onze stem in zijn naam en uit naam van allen die Hem kennen noch aanroepen willen: „Jezus, Meester, enige bron van leven en heil, erbarm U onzer” . Bedenk hoe van Hem geschreven staat: „Hij had medelijden met de scharen, want zij waren uitgeput en lagen daar als schapen zonder herder” . Nog immer is de oogst groot, maar werklieden, de echte die zichzelf vergeten willen, zijn er weinig ( Mt.9, 36. 37 ). De Kerk, de Moeder der mensheid, treedt in de heilige liturgie voor haar Heer en Bruidegom en spreekt: „Meester, heb medelijden” .

2. Wij die door Gods genade deel uitmaken van zijn uitverkoren volk, die door doop en geloof zijn geworden „geliefden Gods, geroepenen, heiligen” ( Rom.1, 7 ), wij die in het bad der wedergeboorte gereinigd zijn van de melaatsheid der zonde, wij moeten die ene genezene navolgen, van wie het evangelie verhaalt: „één van hen keerde terug met luider stem God verheerlijkend en hij viel op zijn aangezicht neer aan zijn voeten en dankte Hem” . Eén van de tien slechts kwam Jezus danken en deze was een vreemdeling. Eén van de tien … Zou de verhouding onder ons gunstiger zijn? Dankbaarheid is een zeldzame deugd, te zeldzamer naarmate de weldaden ons bewezen minder tastbaar lijken. De grootste weldaden Gods zijn alleen kenbaar voor het geloof. „Weest immer verheugd, bidt zonder ophouden, zegt dank voor alles” ( 1 Thess.5, 16-18 ). Wij klagen dikwijls, dat wij niet weten hoe of wat te bidden; soms schijnt het of alleen een persoonlijke nood ons een vurig smeekgebed op de lippen brengt. Hoevelen onder ons vervullen hun plicht uit dankbaarheid? Als wij leefden uit het geloof, zouden wij Gods weldaden waarderen, zou oprechte vreugde ons hart vervullen en spontane dank opwellen uit onze ziel. Gods weldaden: talloos zijn zij, onophoudelijk en in rijke verscheidenheid, de genaden, de sacramenten, de liturgie, Gods voorzienigheid, zijn geduld en barmhartigheid …

3. „Gods barmhartigheden wil ik eeuwig bezingen” ( Ps.88, 2 ). Het is de liefde eigen te zingen ( Sint Augustinus ). De schoonste dank is die welke God wordt gebracht door de Kerk en met de Kerk in het ene en eeuwige offer der mis. Verenigen wij ons van ganser harte, „God verheerlijkend met luider stem” , met de dankzegging van Christus’ Bruid. „Waarlijk passend en rechtvaardig is het, billijk en heilzaam, dat wij U altijd en overal danken, heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God, door Christus onze Heer.”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee