De Apostel der Naastenliefde

38. Octaafdag van Sint Jan Evangelist 3 Januari

„Zo iemand zegt: „Ik heb God lief” , maar zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Wie immers zijn broeder die hij gezien heeft niet bemint, kan God niet liefhebben die hij niet heeft gezien. Want dit gebod hebben wij van God ontvangen: wie God bemint, moet ook zijn broeder beminnen” ( 1 Joh. 4, 20. 21 ).

1. Sint Hieronymus heeft over de beminde leerling een legende opgetekend, die minstens naar de geest waar is. Op Johannes ‘ oude dag was zijn eeuwig eendere preek samen te vatten in deze eenvoudige woorden: „Kinderkens, bemint elkander!” Toen dit de christenen begon te vervelen, vroeg men hem waarom hij toch altijd hetzelfde zeide. En het antwoord was Johannes waardig: „Omdat het ’t gebod des Heren is en omdat dit genoeg is.”

Misschien verwondert het ons, dat de adelaar onder de evangelisten, de verheven godsschouwer zo dikwijls spreekt over de liefde voor de broeders en zusters in Christus. Een gedeeltelijke verklaring hiervan is zeker te vinden in Johannes ‘ eigen aard. De ontmoeten met het mensgeworden Woord is het grote geluk van zijn leven geweest, óók omdat ze van hem een ander mens heeft gemaakt. Er lagen in Johannes ‘ natuur ook andere mogelijkheden dan die welke Gods genade in hem tot ontwikkeling bracht. De gewone voorstelling van de zachtzinnige en enigszins zoetsappige jongeling is er geheel naast. Wij weten niet veel van zijn jeugd, maar wat wij daarvan weten wijst in een andere richting. Hij en zijn broer Jakobus ontvangen van Jezus de veelzeggende bijnaam „zonen van de donder” ( Mk. 3, 17 ). Over de ongastvrije Samaritanen willen zij liefst het vuur des hemels afroepen ( Lk. 9, 54 ). Johannes is ook onverdraagzaam: hij kan niet velen dat iemand die niet tot Jezus’ volgelingen behoort zijn naam aanroept om demonen uit te drijven ( Lk. 9, 49 ). Eerzucht was hem niet vreemd, zoals blijkt uit het verzoek om de eerste plaatsen in Jezus’ Rijk ( Mk. 10, 37 ). De Apocalyps verraadt een schrijver met een heftig temperament en een zeer sterk gevoel voor gerechtigheid en waarheid. Johannes was wel van nature al te fel, ongenaakbaar en hooghartig. Maar Jezus heeft hem nederig gemaakt en hem geleerd de mensen lief te hebben, ondanks hun fouten en in al hun gewoonheid. Hij is niet enkel de grote prediker der godsliefde, hij is ook de onvermoeibare leraar der naastenliefde geworden. En wij mogen er zeker van zijn dat, als hij meer dan wie ook in het Nieuwe Testament daar telkens op terugkomt, het óók is, omdat hij zelf zich die liefde in harde strijd heeft moeten veroveren. Johannes bezat een levendige neiging tot het absolute en het doen en laten der mensen is gewoonlijk noch volstrekt goed noch volstrekt kwaad. Niet voor niets schreef hij het beroemde woord: „Waart gij slechts koud of warm! Maar omdat gij lauw zijt en noch koud noch warm, zal Ik u uit mijn mond spuwen” ( Openb. 3, 16 ). Doch hij ging als beminde leerling in de school van de Meester die zeide: „Leert van Mij, omdat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte” ( Mt. 11, 29 ).

2. Laten wij bij de kribbe uit de mond van Jezus’ dierbare apostel het grote gebed leren: „Dit is mijn gebod dat gij elkander bemint zoals Ik u heb liefgehad” ( Joh. 15, 12 ). Dat zij die fel zijn hier hun hardheid afleggen en milder oordelen; dat zij die rechtvaardigheid hartstochtelijk liefhebben, leren vergeven en onrecht verdragen naar Jezus’ voorbeeld; mogen de al te gemakkelijk vriendelijken hun liefde verstevigen met waarheid en echtheid. Dat voor de kribbe van het goddelijk Kind alle haat en verbittering uitdove! „Kinderkens, laat ons niet liefhebben met woord of met de tong, maar met daad en in waarheid” ( 1 Joh. 3, 18 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *