De bron van ons heil

140. Maandag na Passiezondag

Het evangelie van heden eindigt met de schone woorden: „Op de laatste en grootste dag van het feest stond Jezus daar en riep met luider stem: „Zo iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; hij drinke, wie in Mij gelooft. Zoals de Schrift heeft gezegd: „Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien” Dit zeide Hij van de Geest, die zij zouden ontvangen die in Hem zouden geloven” ( Joh. 7, 37-39 ).

1. Het is niet voldoende het gezegend lijden van onze Zaligmaker te beschouwen met een vertederd hart en met een diep medelijden om daardoor tot wederliefde te worden opgewekt. Het is deze devotie tot de Passie die sinds de Middeleeuwen overheerst en die vooral is gegroeid door buitenliturgische oefeningen als de Kruisweg. De Kerk heeft deze volksgodsvrucht opgevangen en grotendeels overgenomen en haar vruchten zijn zo groot en evident, dat wij hierin zonder twijfel de leiding van de Heilige Geest mogen erkennen. Maar daarnaast mogen wij de oudchristelijke opvatting, die in deze weken „de feesten van onze verlossing” viert, niet uit het oog verliezen. Wij beschouwen Jezus’ lijden met groot geloof als de bron waaruit zijn verheerlijking en ons heil ontsproot. Door zijn lijden zijn wij verlost .

Hieraan herinnert ons het evangelie van heden. De belofte van de Zaligmaker bij het Loofhuttenfeest, die een beroep doet op de geluksdrang van elke mens, stelt aan wie in Hem geloven de „stromen van levend water” in het vooruitzicht. Dit levende water is de Geest en zijn genade, die de christen wordt geschonken, hem reinigt en verlicht, die een nieuwe mens van hem maakt. Zoals Jezus elders zeide, wordt deze genade in de ziel van de christen zelf „een bron die opwelt ten eeuwigen leven” ( Joh. 4, 14 ). Maar de Heer alleen blijft de eerste en oorspronkelijke bron des Geestes, de bron van het heil, de Verlosser. En de kerkvaders zien de vervulling van deze belofte geschied in Jezus’ kruisdood, wanneer het goddelijk Lam aan het hout der schande hangt en uit zijn zijde water en bloed vloeien, zinnebeelden der genadestromen, die Christus door zijn lijden verdiende en aan zijn Kerk toevertrouwde. De Verlosser wekt aan het kruis niet alleen ons innig medelijden op, maar allereerst een diep geloof en een vreugdelof, een zegevierend vertrouwen. „Zij zullen opzien tot Hem, die zij hebben doorboord” ( Joh. 19, 37 ): zó is Hij de Verlosser der wereld, bron van overvloedig heil voor allen die „tot Hem opzien” met berouw en geloof, — tot Hij eenmaal weerkeert als de verheerlijkte Rechter met de wonden, die dán een schrikkelijk teken van verwerping zullen zijn voor wie weigerden zich te bekeren: „Zie, Hij komt met de wolken; en elk oog zal Hem aanschouwen, ook zij die Hem doorstoken hebben en alle geslachten der aarde zullen zich op de borst kloppen om Hem” ( Openb. 1, 7 ).

2. Sint Teresia van Avila verstond onder het levende water, dat de Zaligmaker zijn getrouwen schenkt, gaarne de genaden van het inwendig gebed. Deze toepassing is volkomen gerechtvaardigd, indien wij daarin zien een speciale gave van het christelijke heil, die heel bijzonder de belofte van het eeuwige leven inhoudt en daarvan voorsmaak en onderpand is. Niets is zozeer in staat de heilzame dorst der ziel te wekken, te louteren en te voldoen (voorzover dit aardse bestaan zulks toelaat) als het ware geestelijk gebed. Maar dit is een lessen van de dorst dat een steeds grotere begeerte achterlaat, zoals de Goddelijke Wijsheid zegt: „Wie Mij eten, blijven naar Mij hongeren, wie Mij drinken, dorsten naar meer …” ( Eccli. 24, 21 [29] ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *