De bruiloft van de koningszoon

335. Negentiende Zondag na Pinksteren

„En de dienaren van de koning gingen uit en verzamelden allen die zij vonden, kwaden zowel als goeden” ( Mt.22, 10 ; evangelie).

Het evangelie bevat een dubbele gelijkenis of althans twee gedeelten waarin de Zaligmaker ons zijn leer voorhoudt. In het eerste deel spreekt Hij over de genodigden die de dringende invitatie van de koning onder allerlei voorwendsels afsloegen en zich zelfs aan de dienaren van hun vorst vergrepen. Hierdoor beeldt Jezus het hardnekkige ongeloof van het Joodse volk uit, dat niet luisteren wilde naar de godsgezanten en profeten en weigerde binnen te gaan in het messiaanse koninkrijk. Dan gaan de dienaren des konings, de apostelen en geloofspredikers, naar de kruispunten der straten en nodigen allen zonder onderscheid, zowel goeden als kwaden: de heidenen. „En de bruiloftszaal stroomde vol.”

1. Dit is een thema dat in het Nieuwe Testament dikwijls terugkeert: de goddelijke barmhartigheid bij de roeping der heidenen tot de Kerk. Het uitverkoren volk met zijn openbaring, zijn tempel en zijn wet, verwierp, als geheel genomen, het evangelie. De heidenen, de onreine „zondaars” die door Gods barmhartigheid gered worden „van de komende Toorn” en het oordeel Gods. „Het hangt niet af van hem die wil noch van hem die zijn krachten inspant, maar van Gods ontferming” ( Rom.9, 16 ).

Laten wij niet denken dat deze dingen alleen een historische betekenis hebben en dat op ons die om zo te zeggen in de Kerk zijn geboren de grote waarheid van Gods barmhartige roeping niet van toepassing zou zijn. Want altijd geldt van de opname in het rijk der hemelen het woord van Sint Jan dat wij bijna dagelijks kunnen horen: „die niet uit bloed noch uit de wil van vlees of man, maar die uit God zijn geboren” ( Joh.1, 13 ). Een geboorte uit God, niet een geboorte uit katholieke ouders, schenkt ons het goddelijke leven, de weder geboorte uit Geest en water. De uitnodiging van de Koning alleen verleent ons toegang tot de „bruiloft van het goddelijk Lam” . Wat vermag hier de mens? Rijkdom, macht noch wijsheid openen die deur, doch slechts de genade des Geestes, verdiend door Jezus’ kostbaar bloed, aan ons, zondaars, geschonken. Verneder u voor God, doordring u diep van deze waarheid, wees dankbaar voor de hoge roeping en dat niet met een grote mond en een klein hart, maar „metterdaad en in waarheid” .

2. Een Koning, een koningszoon, een bruiloft… Ach, de schoonste beelden zijn niet schoon genoeg voor deze heerlijkheid. De Heer viert zijn bruiloft met de menselijke natuur ( Gregorius de Grote in de homilie ), met de Kerk, met elke ziel die Hem trouw wil zijn. Deze verbintenis zal eerst in de hemel volkomen zijn en onverbreekbaar. Hier op aarde bestaat zij in de duisternis van het geloof, de verborgenheid der ziel en de gemeenschap der sacramentele tekenen. De eucharistie, liefdesgave van Jezus’ Hart, gedachtenis onder ons van zijn sprekendste beeld en de zoetste voorsmaak. Met recht heeft de christelijke overlevering in het bruiloftsmaal van de koningszoon de tafel des Heren aanschouwd. Moge God onze jeugd verblijden en vernieuwen om elke dag opnieuw met een prille en maagdelijke liefde naar zijn maal te snellen, opdat onze liefde niet sterve noch sluimere onder de sleur van wat wij leven noemen. „Ziet, de Bruidegom komt. Gaat Christus, de Heer, tegemoet.” Moge uw liefde, o Jezus, ons immer bereid en waakzaam vinden, met de olie van het brandend verlangen in onze lampen, en een hart dat gezuiverd is van aardse begeerlijkheid.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)