De deugd van de hoop

12. Donderdag na de Tweede Zondag van de Advent

De grote gave die wij met de Kerk in deze weken van voorbereiding, beeld van ons leven, van God willen afsmeken, is derhalve die gesteltenis der ziel waarin wij leven in hoop . Zulk een leven heeft zijn aparte psychologie. Wie met goede reden een groot geluk verwacht, is blij gestemd en hij wordt wat onverschillig voor al het andere, voor alles wat niet samenhangt met de geheime hoop die zijn ogen glanzen doet. Hij kan ook niet goed begrijpen waarom anderen zich over betrekkelijke kleinigheden zo druk maken. Hij kan veel meer verdragen dan gewoonlijk. Soms is hij zelfs verstrooid en vergeetachtig. Hij begint „onthecht” te worden… Zo werkt de hoop, indien zij echt is ene levend. Wellicht kunnen wij hiernaar enigermate afmeten, in hoeverre de goddelijke deugd van hoop in ons vruchtbaar en werkzaam is. Want het geluk dat wij verwachten mogen, gesteund door geen geringere waarborgen dan Gods liefderijke roeping en de prijs van Jezus’ bloed, is geen ander dan de hemelse heerlijkheid. Ons die verlost zijn mag de vreugde van de Geest, die met smart en verdrukking gepaard kan gaan ( 1 Thess. 1, 6 ), niet verlaten. Zij wie de toekomstige goederen door God zijn beloofd, moeten alles kunnen verdragen. „Met blijdschap hebt gij het verduurd dat men uw goederen roofde, daar gij weet dat u een beter en blijvend bezit te wachten staat” ( Hebr. 10, 34 ). En zij die zich Gods hemelse roeping bewust zijn, worden wat onverschillig voor de dingen der aarde. Onthechting begint te groeien, niet geforceerd, maar als van zelf door de volheid van een verwachting die andere begeerten geleidelijk en zachtjes wegduwt, door een soort bovennatuurlijke leefkracht. Deze houding der ziel is het die de laatste woorden van het epistel van de Zondag zo prachtig tot uitdrukking brengen: „De God der hope vervulle u met alle vrede en vreugde door het geloof, opdat gij moogt overvloeien van hoop, door de kracht van de Heilige Geest” ( Rom. 15, 13 ). Er is een waarachtige levensvreugde mogelijk voor de christen, maar zij komt voort uit het geloof en uit de hoop, uit het geloof in God die wij nog niet aanschouwen en de hoop op de hemel die wij nog niet bezitten. Het christelijke leven is een leven in hoop. Hij wiens hart voldaan is, wiens ziel niet openbloeit in verlangen en heimwee naar God, is nog geen volmaakte christen.

De functie van de onthechting bestaat hierin dat zij ons in dit korte leven (geleidelijk) als in een woestijn moet voeren, in een barre wildernis die roept om Jezus, de Bron van het levende water. In het vagevuur vergaat de ziel letterlijk van verlangen naar God, omdat er dan niets is dat de aandacht van Hem afleidt, omdat heel het bewustzijn op Hem alleen is gericht, omdat het eindelijk de dingen ziet zoals zij zijn. Door waarachtig geloof en standvastige hoop zullen zij die naar de volmaaktheid streven, reeds vóór hun sterven leven als in een vagevuur: de goddelijke deugden, door de genade tot snelle wasdom gerijpt, bevatten en bewerken een grondige loutering van onze geest. Ik zou deze loutering de positieve onthechting willen noemen, omdat zij haar (schijnbaar) negatief uitwerksel, de zuivering van onze affecten, bereikt, doordat zij onze ziel vervult met de volheid van de liefde voor God en de mensen. Deze is ook de enig ware onthechting, een, die niet voortkomt uit angst of kleinmoedigheid, noch uit afkeer van Gods stoffelijke schepping.

Kunnen wij dit uit onszelf bereiken? Onmogelijk. De Apostel zegt: „dat gij moogt overvloeien van hoop in de kracht van de Heilige Geest” . Zulk een volkomen hoop is de grote gave van God aan zijn uitverkorenen, waarom wij onophoudelijk, met nederigheid en vertrouwen, moeten smeken.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *