De erbarming Gods

112. Maandag na de Eerste Zondag van de vasten

Reeds het Oude Testament kende het beeld van de Goede Herder. In het epistel van heden, ontleend aan de profeet Ezekiël ( 34, 11-16 ), spreekt God woorden van erbarming. Zijn uitverkoren volk is verlaten en verraden door de slechte „herders van Israël” , door zijn menselijke leiders. Nu zal de Heer zelf zijn kudde weiden. Met oneindige tederheid zal Hij zorg dragen voor zijn schapen. „Dan weid Ik ze op vette grond en op de bergen van Israëls hoogland zullen ze rusten; daar zullen ze zich neervlijen in het malse groen en grazen ze de vette weiden af op Israëls bergen. Ik zal mijn schapen zelf weiden, ze zelf laten legeren, zegt de Heer. Het vermiste dier zoek Ik op, het verdwaalde breng Ik terug; het gewonde zal Ik verbinden, het verzwakte sterken, het vette en gezonde dier blijven verzorgen. Ik zal ze weiden zoals het behoort.” En als de volheid der tijden en de vervulling der oude Schrifturen gekomen is, zegt Jezus, de Zaligmaker, van zichzelf: „Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef hun het eeuwige leven; ze gaan in eeuwigheid niet verloren en niemand rooft ze weg uit mijn hand” ( Joh. 10, 11. 14. 15. 28 ). Herinneren we ons ook dit andere woord van de Meester: „Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u verkwikken. Neemt mijn juk op en leert van Mij, omdat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte; dan vindt gij rust voor uw zielen. Want mijn juk is zacht, mijn last is licht” ( Mt. 11, 28-30 ).

1. In elk mensenleven komen er ogenblikken (en zijn het soms niet jaren?) dat het moeilijk valt in deze tederheid Gods te geloven. Soms komt met de rijpheid der jaren de ontgoocheling waarin de verloren illusies van de jeugd niets nalaten dan „wijsheid” met een bittere nasmaak. Dan weer stemt de eeuwige mislukking van onze beste voornemens ons mismoedig, de inwendige schrijnende vernedering van altijd weer te stoten op onze oude zwakheden brengt een moedeloosheid in onze ziel met de bijsmaak van gekwetste hoogmoed. Anderen, wier leven en lust het gebed was en het najagen der zoete vereniging met de Heer, zien hun ziel gedompeld in een duisternis en een dorheid die maar niet wijken wil en een beproeving betekent van hun geloof en vertrouwen, schijnbaar boven hun krachten. Dat zij allen inkeren in zichzelf en tot God zich wenden, tot de verborgen bron van ons heil, tot de tedere erbarming Gods. „Zalig hij die zich aan Mij niet ergert” ( Mt. 11, 6 ). „Werpt uw vast vertrouwen niet weg dat een grote beloning in zich sluit. Wacht nog een kleine, kleine tijd: Hij die komt, zal komen en niet toeven. Mijn rechtvaardige zal leven door geloof; maar als hij terugdeinst, heeft mijn ziel geen behagen in hem” ( Hebr. 10, 35-38 ).

2. Een van de allerbeste wijzen onszelf te verzekeren van Gods barmhartigheid bestaat hierin dat wij zelf onze naasten barmhartigheid betonen. Hieraan herinnert ons het evangelie van heden. Denken wij er wel genoeg aan dat naar de naastenliefde, naar de werken van barmhartigheid voor de lijdenden, het grote oordeel zal plaats hebben? „Wat gij een van mijn minste broeders hebt gedaan, dat hebt gij Mij gedaan.” Laten wij eenvoudig en werkdadig dit grote beginsel der christelijke liefde beoefenen en wij zullen erbarming vinden bij de Heer. „Oordeelt niet en gij zult niet worden geoordeeld. Vonnist niet en gij zult niet worden gevonnist. Spreekt vrij en gij zult vrijgesproken worden. Geeft en u zal worden gegeven: een goede volgestampte, geschudde en overlopende maat zal u in de schoot worden gestort. Want met de maat waarmee gij meet, zal ook u worden gemeten” ( Lk. 6, 37. 38 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *