De goede Herder

167. Tweede Zondag na Pasen

„Ik ben de goede Herder: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Ik ben de goede Herder en Ik ken mijn schapen en de mijnen kennen Mij, alleluja” (antifoon van benedictus en 1ste vespers, vgl. het evangelie). Men kan in het wederom zeer schone en klassieke misformulier drie overheersende gedachten onderscheiden.

1. De goede Herder is de Heiland : Hij is degene die leven en heil schenkt aan zijn schapen, in overvloed. Dit is ook de hoofdidee van het evangelie op zichzelf genomen, van datgene wat wij de gelijkenis van de goede Herder plegen te noemen. Christendom betekent allereerst: heil in Christus, redding van de dood en volheid van leven; en de Kerk bezit en schenkt dit Christus-heil in haar mysterieviering. Dat dit de eerste en voornaamste zin is van het geliefde Goede-Herder-beeld, blijkt onder andere zeer duidelijk uit te boven aangehaalde antifoon waar immers op de uitspraak „Ik ben de goede Herder” de in de mis en de rest van het officie niet voorkomende woorden volgen: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven” ( Joh. 13, 6 ), — als daarmee op één lijn staande, als uitdrukkende dezelfde waarheid: Christus is het heil. Dit heil is goddelijk heil en dit leven „eeuwig leven” , uit zijn aard onvergankelijk en uit de aard van ons bestaan in deze wereld nog in Christus verborgen leven. Het uit zich in vele daden, maar de kern is onzichtbaar, ook voor ons die geloven. Het geloof immers staat tegenover het zien en wij kennen slechts in beelden en afschaduwingen, in sacramentele zinnebeelden, werkdadige symbolen van ons heil, aan de Kerk toevertrouwd.

2. Jezus is Heiland door zijn dood en verheerlijking . Beide horen tezamen als het grote mysterie dat ons heil bewerkte. „De goede Herder geeft zijn leven voor zijn schapen” , — en dáárom bezitten zij het leven in overvloed. Want de Gestorvene is verrezen en deelt ons zijn Geest mede. Daarom ook blijft de Kerk midden in de paastijd de dood des Heren gedenken (zoals elke mis daarvan herdenking en tegenwoordigstelling is): „Christus heeft in zijn lichaam onze zonden op het kruishout gedragen opdat wij aan de zonde gestorven voor de gerechtigheid zouden leven; door zijn striemen zijn wij genezen” (epistel).

En de paasprefatie zingt: „Hij is het ware Lam dat de zonden der wereld heeft weggenomen, die door zijn dood onze dood vernietigde en het leven herstelde door zijn verrijzenis” . Jezus’ kruisdood is niet zozeer mysterie van droefheid en verschrikking als wel grondslag van ons heil en reden van vreugde: „God die door de nederigheid van uw Zoon de gevallen wereld hebt opgericht, schenk uw gelovigen eeuwigdurende blijdschap …” (oratie)

3. Hoe worden de christenen in dit heil deelachtig? Door het geloof in Jezus. Maar dan moeten wij geloof verstaan in de volle zin die het vierde evangelie daaraan toekent: als de verhouding die er bestaat tussen de goede Herder en zijn schapen, een wederkerig kennen doordrongen van liefde. „Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader” (evangelie). De ideale, zeggen wij liever, de werkelijke verhouding van Jezus en de christen, het hele bestaan van de christen als zodanig, is niets anders dan een nabootsing, een beeld van de verhouding tussen Vader en Zoon, van het innerlijke geheim van God zelf. Johannes zegt het hier en op andere plaatsen ( 6, 57 ; 17, 11. 21 enz. ).

Jezus geeft zijn leven voor zijn schapen; Hij schenkt hun het eeuwige leven in overvloed. Dit is de „goedheid” van de Herder. Hij is de oneindig goedige Herder, omdat Hij de enige en ware Herder, de enige en ware Heiland is. Zijn goedheid berust op zijn „echtheid” >; Hij alleen is de ware „Leidsman ten leven” ( Hand. 3, 15 ; 5, 31 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *