De grote genade

329. Maandag na de Achttiende Zondag na Pinksteren

„De genade Gods die u in Cnristus Jezus geschonken is …” ( 1 Kor.1, 4 ; epistel van de Zondag).

De grote genade die Gods barmhartigheid ons mensen heeft bewezen, de genade vóór en boven alle andere genaden, is de Heer Jezus Christus zelf. „De wet is door Moses gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen” ( Joh.1, 17 ). En dit niet enkel omdat Hij de bron is van alle genaden die Hij door zijn lijden en dood voor ons heeft verdiend en, verheerlijkt zetelend aan Gods rechterhand, door zijn Geest ons meedeelt, — maar ook omdat in zijn persoon, door het onuitsprekelijk geheim der menswording, God zich op ongekende wijze heeft geopenbaard aan de wereld en zich met de mensheid heeft verenigd . Het is waar dat de mens God kennen kan, zij het zeer onvolmaakt, zonder openbaring. Maar hoe in feite de mensheid buiten Christus over God denkt, leert ons de droevige geschiedenis van het heidendom aller eeuwen en de niet minder droevige ervaring van onze eigen tijd. „Ik ben de weg, de waarheid en het leven” ( Joh.14, 6 ). Hij is de weg tot God, omat Hijzelf God is en waarachtig mens. Alleen in het rechtzinnige geloof, in de katholieke opvatting van het grote dogma omtrent de persoon van Jezus Christus, komt deze waarheid tot haar recht. Jezus is niet enkel een groot profeet, een verheven leraar, in wie „het goddelijke zich bewust is geworden” ; Hij is God. Maar tevens is Hij waarachtig mens; „want wij hebben geen Hogepriester die onze zwakheden niet meevoelen kan, maar een die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij, behoudens de zonde” ( Hebr.4, 15 ).

De menswording van het Woord is de daad van Gods overgrote liefde die ons immer met sprakeloze verwondering moest vervullen, het wonder der goddelijke liefde waarvoor wij Hem nooit genoeg kunnen danken en loven. God spreekt onze taal; God draagt ons gelaat. Hij heeft zich gesteld binnen het bereik van onze zinnen, van ons gevoel en onze verbeelding. „Hem hebben onze handen betast” ( 1 Joh.1, 1 ).

Hij heeft onze povere menselijke maat aangenomen. Hij is mens geworden en in waarheid „menselijk” . Wij kunnen Hem verstaan: wij kunnen van Hem houden zoals wij een dierbaar mens beminnen. Wij kunnen wenen om zijn verdriet, Hem troosten in zijn onbegrepen eenzaamheid. Sinds Hij leefde onder ons, weten wij hoe een mens voor God moet leven. De alledaagse dingen zijn geheiligd door Hem, de arbeid en de verpozing, het brood en het water …. Nog zijn alle kinderen gemerkt met de zegen van zijn omhelzing. De vogelen des hemels en de bloemen van het veld herinneren ons aan Hem. Het raadsel van het lijden is door Hem opgelost en alle kwaad bij voorbaat geboet door zijn dood. Alle mensen der aarde (ach, ook de ongelukkigsten, want verworpenen kent alleen de hel) dragen Gods gelaat voor Hem.

En Hij is God. Hij is niet de mens, de wijze en de heilige, die onze nood alleen maar verstaat of medevoelt en mede-lijdt. Hij is het die redden kan van alle nood. Die al onze verlangens vervult (en oneindig overtreft en daarom dikwijls schijnbaar niet vervult), die al onze idealen verwerkelijkt en te bovengaat. Er is geen grens aan Hem die onze begrenzing heeft aangenomen. Hij is de verzoening van alle tegenstellingen, de eenheid boven alle verdeeldheid, het begin van alles en het volstrekte einde, de zee van oneindige ¨vrede, de oceaan der zaligheid.

Geef ons allen, zoete Heer Jezus Christus, sterke God, het geloof in U. Wie die waarachtig in U gelooft, zou U niet beminnen boven alles? Wie die U kent zoals Gij zijt, zou uw naam niet verkondigen tot het einde der wereld? „Maar ook de zijnen ontvingen Hem niet. Doch allen die Hem ontvingen, gaf Hij de macht kinderen Gods te worden, aan allen die in zijn naam geloven ( Joh.1, 12 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)